Potentaten te land, ter zee en elders

In hun nieuwe romans laten twee Duitse schrijvers hun kracht zien. De een schreef een klassieke tragedie over het totalitarisme, die zich in Guinea afspeelt, de ander fileert het moderne kapitalisme.

Het eiland Bougainville in de Stille Oceaan in 1914-’15, behorend tot de toenmalige kolonie Duits Nieuw Guinea, dat tegenwoordig deel uitmaakt van Papoea-Nieuw Guinea. Foto Berliner Verlag/Archiv

‘Zoveel recensenten, zoveel meningen’. Met die woorden introduceerde deze krant in december de eindejaarslijstjes van de recensenten met daarop hun favoriete boeken van het jaar. Op die lijstjes was het diversiteit troef. Zelden kwam een titel vaker dan één maal voorbij. Maar, zo liet een teleurgestelde, Deutsch-angehauchte lezer zich op Twitter ontvallen, er stonden desondanks nauwelijks Duitse boeken tussen. Vreemd.

En die hadden er inderdaad makkelijk op kunnen staan, want net aan het staartje van 2014 verschenen er bij de kleine en relatief nieuwe uitgeverij Leesmagazijn twee uit het Duits vertaalde romans die de moeite meer dan waard zijn. Beide zijn bovendien voorbeeldig vertaald en, voor een paperback dan, een sieraad in de kast.

Imperium, van de in Zwitserland geboren Christian Kracht (1966), werd in de Duitse krant Die Welt gebrandmerkt als een lofzang op het totalitarisme. De schrijver van het stuk moet een goede vriend van Kracht zijn geweest, want tegen een strakker gesneden blurb loop je niet snel aan. Voor een inkijkje in het totalitarisme laat je een Hollands bed violen graag rusten.

Maar ‘uiteraard’, zou je bijna zeggen, klopt er helemaal niets van dat totalitaire, je weet werkelijk niet waar je het aan zou moeten wijzen. Wie al een kern wil benoemen, komt uit bij iets wat eerder op de narratieve structuur slaat dan op die vermeende politieke strekking. Kracht heeft een op klassieke wetten geschreven tragedie geschreven: de held, August Engelhardt geheten, haalt zich iets in zijn hoofd en betaalt daar een hoge prijs voor.

Engelhardt reist in het begin van de vorige eeuw af naar Guinea, destijds nog deels onder het gezag van Duitsland. Hij walgt van de Duitse cultuur, die in de ban van het egoïsme zou zijn, en koopt een eiland in de Stille Oceaan om daar een kolonie voor ‘kokoviristen’ te stichten: mensen die voor hun verblijf op aarde niets anders nodig denken te hebben dan ... kokosnoten. Eten en drinken, kleding en zelfs onderdak: het is allemaal uit deze vrucht (want een vrucht is het) te halen. Een krankzinnig uitgangspunt natuurlijk, een soort leidmotief voor Lambiek of een ander stripfiguur, en iemand moet dan ook een glaasje water voor je halen wanneer je erachter komt dat deze Engelhardt, om Karel van het Reve te parafraseren, echt bestaan heeft, evenals zijn malle kokoskolonie aan de andere kant van de globe.

Dierlijk evenbeeld

Waarom kokosnoten? Engelhardt meent dat ‘de mens het dierlijke evenbeeld van God’ is en ‘dat de kokosnoot, die op zijn beurt van alle planten de grootste gelijkenis met het menselijke hoofd vertoont [...] het plantaardige evenbeeld van God’ is. En wie zich dus met kokosnoten voedt, dat ‘werkelijke sacrament van de natuur’, die ‘is eigenlijk een theofaag’: iemand die zich in wezen met God zelf voedt. Het zal niet verbazen dat Kracht zijn held met een Jezuscomplex heeft opgezadeld, net zomin als dat Engelhardt stante pede beroofd wordt als hij zijn theologietje voor het eerst op vreemde bodem uiteenzet.

Wellicht wordt hiermee ten onrechte de indruk gewekt dat Imperium een wat melige roman is. Kracht heeft weliswaar een ontzettend originele en subtiele (dat vooral) hand in het ridiculiseren van zijn personages, maar zijn inzet is groter. Engelhardt is een diffuus karakter, en hoewel je lange tijd slechts om hem grinnikt, voert zijn neergang, die al vanaf de eerste pagina in de lucht hangt, je toch naar de keuken voor een nieuw glaasje water.

Kolonialisme, kannibalisme, het Duits-zijn; het is allemaal in deze kleine roman vervat. Het grootste genot is echter niet de thematiek maar de stijl van Kracht, die lange, tegen het sadisme aanschurkende zinnen schrijft, waarmee hij uiteindelijk zo goed als de hele cast het graf in dirigeert.

De dood van Lützow, een oude strijdmakker van Engelhardt die overmoedig van het ene schip naar het andere probeert te springen, wil ik u niet onthouden: ‘De zool van zijn schoen (zijn voeten zijn het dragen van schoenen ontwend) glijdt weg op de glibberige scheepswand van de Waldemar, hij probeert met een klauwende beweging de reling te pakken, grijpt mis, en nu worden zijn beide benen, alsof ze elk met touwtjes aan de hemel bevestigd zijn, omhooggetrokken, hij maakt een salto (die inderdaad het suffix mortale verdient), schiet dan met zijn hoofd naar beneden in het havenbekken, belandt tussen de beide schepen in het water en wordt door de twee scheepsbuiken die dankzij een ongelukkig verlopende golf of stroming als ijzeren walvissen onverbiddelijk op elkaar af drijven, vermorzeld. Niet alleen zijn armen of benen worden geplet, maar de gehele Lützow.’ De gehele Lützow. Sadistisch, ik zei het al.

Van een heel andere orde, maar actueler en beter, is het lijvige Johann Holtrop van Rainald Goetz (1954), de druistige Duitser die in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw naam maakte als schrijver van toneelteksten en romans. Het is een ambitieus project, waarmee Goetz geprobeerd heeft om het, in zijn ogen, definitieve omslagmoment in het verloop van het westerse kapitalisme te vangen. ‘Afbraak van de maatschappij’, luidt het onverbloemd in de onderkop van het boek, en het fraaie is dat die vier woorden zowel van toepassing kunnen zijn op de economische en morele teloorgang van de samenleving als op het credo waarmee de protagonist uit de titel daags op pad gaat.

Topmanager

De motor van Johann Holtrop, topmanager bij een groot Duits bedrijf, draait namelijk op onversneden haat. Goetz presenteert Holtrops bedrijf als een gladiatorenarena, waarin degene die een concurrent zo effectief mogelijk de strot doorbijt verder richting troon stijgt. En dat is dan ook waar Holtrop en de andere oversten zich mee bezighouden: elkaar eronder houden. Waar ze voor aangenomen zijn blijft onduidelijk, want er wordt zo goed als geen calorie verbrand ten bate van het bedrijfsbelang. Daar volgt uit dat ook het lozen van werknemers voortkomt uit dierlijke antipathie, niet uit ondeskundigheid. Te oude of geïsoleerde collega’s zijn ‘sukkels’ die verdwijnen moeten, gewoon omdat hun oude en geïsoleerde koppen baas Holtrop niet langer aanstaan.

In deze roman gaat vrijwel alles goed. Op iedere pagina tref je wel een zin aan die het citeren waard is. En de droevige decadentie van het Nieuwe Geld is zo confronterend dat je, ondanks Goetz’ voorliefde voor het karikaturale, regelmatig denkt: ‘ja, dit is de tijd waarin we leven, zulke klootzakken gaan bij ons voor winnaars door’.

Het briljante van Goetz is dat hij Holtrop niet alleen met diens eendimensionale gestampvoet in de kantoortuin te kakken zet. Hij heeft een naïeve beul van hem gemaakt. Iemand die met een bijl naast het hakblok staat en niet doorheeft dat ook hij de aflossing nabij is. Hij ziet het gevaar niet, zoals hij eigenlijk nooit iets echt gezien heeft. Grote, sardonische literatuur.