Niets liever dan te leren leven

Verheven en plat, lyrisch en brallerig – er komen veel stemmen voorbij in zijn nieuwe gedichten. Veel liefde en lijden, en een pleidooi voor minder pose en meer inhoud. De tijd van onschuldige versjes is voorbij.

Tekening Paul van der Steen

Een idylle is een dichterlijke schildering van het leven van eenvoudige, onbedorven mensen, zo leert ons het woordenboek. Het gaat dan vooral om ‘herders, landlieden e.d. die in nauwe betrekking met de natuur verkeren.’ Ilja Leonard Pfeijffer noemde zijn nieuwe bundel Idyllen. De titel moet wel ironisch worden opgevat, want in deze idyllen komen geen echte herders en landlieden voor, en eigenlijk ook geen andere eenvoudige of onbedorven mensen. Of het zou die ene dichterlijke schildering moeten zijn van die ene avond op dat ene tropische of mediterrane eiland, in één lange, zich over 68 versregels uitstrekkende zin, waarin de dichter zich overgeeft aan een lyrisch aanzwellende beschrijving van eten, drinken, muziek en liefde. En misschien geldt het ook nog voor de gedichten waarin de dichter al dan niet aangeschoten fantaseert over erotische ontmoetingen. Maar verder is er weinig idyllisch aan deze Idyllen.

Op heel wat plaatsen gaat het om de zwarte romantiek van de zelfkant, drank en dromen in duistere kroegen, en om anonieme seks en geilheid op grote dansfeesten in grote clubs op grote stranden, met veel cocaïne erbij. Klinkt misschien ook niet gek, maar in alle gevallen wordt de idylle gemengd met agressie, of gescheld, met veel haat eronder, en eenzaamheid, zeker als de drank begint te vloeien en de verbeelding door de waarneming heen begint te lopen.

Pfeijffer kan daar geweldig goed en geestig over schrijven, in een meeslepend mengsel van stijlen en registers: verheven en plat, lyrisch en brallerig. Van alles komt voorbij, van de taal van de man van de fruitautomaat tot het quasi-spirituele geneuzel van een geile feestganger die een meisje probeert te versieren: ‘Er is geen goed of slecht. Je moet weer ademhalen / als foetus in de moederbuik van het heelal. / Je imprint van neutrino’s vormt je wilskristal, / dat resoneert met jouw vermogen om me naakt / te zien als stavendrager die je chi aanraakt. / Je moet het laten gaan.’

Alles in deze bundel golft, deint en heeft ritme en Schwung. Dat geeft een roezig, bedwelmend effect. Pfeijffer schrijft in alexandrijnen (lange regels van twaalf of dertien lettergrepen), die allemaal rijmen volgens het rijmschema aabb. De vijftig idyllen zijn gemiddeld drie, vier bladzijden lang. Het leest allemaal als een trein – of, om het meest gebruikte beeld te gebruiken, als een schip op de eeuwig deinende zee.

Zelfonderzoek

De liefde en het lijden aan de liefde vormen denk ik wel het hoofdbestanddeel van deze zangen, maar er is meer dan dat. Ze maken deel uit van een groter geheel dat je wel degelijk een vorm van zelfonderzoek zou kunnen noemen. In deze bundel, de eerste in zeven jaar, maakt Pfeijffer de balans op. Tussen alle erotiek en romantiek door gaat het wel degelijk om de grote vragen. Waar gaat het om? Wat heeft het leven te bieden?

In de eerste idylle staat het met zoveel woorden: ‘Ik zou niets liever willen dan te leren leven.’ Hier gaat iemand de wereld onderzoeken. En hij is er niet gerust op. ‘De nacht is aangezegd’ is de eerste zin van de bundel, en die komt vaak terug. Net als de dreigende Holstiaanse formule ‘de warre uren waaien’. Voor een deel is dat misschien de pose van de onheilsprofeet, maar voor een deel ook niet. De dampende beschrijvingen van het Ibiza-leven zijn tegelijk ook aanklachten tegen de leeghoofdigheid ervan. Er valt tussen de regels door genoeg kritiek te lezen op de koopzieke westerling en zijn armzalige burgerleven met hypotheekaftrek, bakfiets en de gezinsvakantie.

En ook zichzelf neemt Pfeijffer onder de loep. In een mooie zang richt hij zich tot zijn ‘vrienden’, de ‘lieve dichtertjes van Nederland en België’. De tijd van onschuldige versjes is voorbij. Het moet anders. ‘Geen deconstructies meer, geen cryptogram, geen quiz / We zullen moeten leren zeggen hoe het is. / Ik heb het zelf in het verleden fout gedaan, / ontwortelaartje dat ik mij daar was.’ Pfeijffer wil het geen programma of eis noemen, maar dat is het intussen wel: een pleidooi voor minder pose en meer inhoud, minder duistere zegging en meer spreektaal, minder navelstaarderij en meer buitenwereld. Bij zo’n wending hoort niet meer de naam van Lucebert, de dichter die nadrukkelijk boven de eerste bundels van Pfeijffer zweefde, maar die van Nijhoff, die hier via allerlei toespelingen (vooral op zijn lange gedicht Awater) aanwezig is.

Pamfletten

In het laatste gedicht brengt Pfeijffer toch nog een ode aan de vorm. Maar in de 49 idyllen die eraan voorafgaan, heb ik te vaak oprechte wanhoop, nostalgie en eenzaamheid door de fonkelende buitenkant zien schemeren. En is het niet in zelfportretten, dan spreekt de nieuwe Pfeijffer wel in de portretten van anderen. Daar zitten regelrechte pamfletten tussen. Het onthutsende relaas van een Afrikaanse bootvluchteling die wij een ‘gelukszoeker’ noemen – die het niet haalt en sterft in zee. De lange monoloog van een jihadstrijder. De aangrijpende klacht van een moeder in een niet met naam genoemde fundamentalistische woestijnstaat. Het relaas van een Palestijn die alles kwijt is – zijn huis, zijn boomgaard, zijn dochtertje van wie de ‘beentjes ervan af werden gereden / door joden die ons heilig land hebben betreden / op laarzen die geen foute stappen kunnen doen / omdat het jullie joden zijn. Vanwege toen.’ Zulke regels lees ik niet vaak in de gedichten van de lieve dichtertjes van Nederland en België.