Kunst met heel veel schermen

De internationaal bekende maar in Nederland onbeminde videokunstenaar Isaac Julien heeft een overzichtstentoonstelling in museum De Pont in Tilburg. Boeiend, al lijkt Juliens engagement niet zo oprecht.

Isaac Julien, Midnight sun

Hé, kijk, daar heb je James Franco. De wereldberoemde Amerikaanse acteur loopt in Isaac Juliens nieuwe film Playtime door de Londense Victoria Miro Gallery en vertelt, met een ironische glimlach op zijn gezicht, over de vreemde machinaties binnen de kunstwereld. Wat maakt kunst interessant voor rijke mensen? Waarom zijn ze bereid er zulke enorme bedragen aan uit te geven?

Laconiek, wandelend door de hagelwitte ruimte, somt Franco voor de kijker op: „Kijk daar heb je een Glenn Ligon, pas nog verkocht voor 1,2 miljoen. En daar een Peter Doig: wist je dat diens White Canoe maar liefst 12 miljoen heeft opgebracht? Het is allemaal één grote grap!”

Maar als de film vordert, worden Franco’s woorden steeds navranter: zo zien we een IJslandse fotograaf die, net toen de crisis uitbrak, zijn droomhuis aan het bouwen was – nu is hij blut en ligt het huis er half afgebouwd en verlaten bij. Ook zien we twee hedgefondsmanagers die in een onmiskenbaar duur, maar leegstaand kantoorgebouw rondlopen en speculeren hoe ze zichzelf nog wat verder kunnen verrijken. En we volgen een jonge Filippijnse vrouw die als schoonmaakster in het angstaanjagend rijke Dubai in zulke kantoorgebouwen werkt. Aan de wanden, op de achtergrond, hangen kunstwerken.

Het grote overzicht Riot van de Britse kunstenaar Isaac Julien dat De Pont in Tilburg deze maanden organiseert, en waarvan Playtime onderdeel vormt, is het soort tentoonstelling dat je in Nederland graag veel vaker zou zien. In de grote zalen en de intieme hokken wordt een groot deel van Juliens oeuvre getoond, van zijn vroegste films uit het einde van de jaren tachtig (technisch nog lekker schokkerig en krampachtig modieus), tot recente, ambitieuze werken als Ten Thousand Waves. Playtime wordt getoond op het grote ‘De Pont-plein’: maar liefst zeven grote schermen, perfect geluid, prachtige projectie, overweldigende beelden.

Wie deze tentoonstelling heeft gezien, is ‘bij’ waar het Isaac Julien betreft en dat is prettig: Julien is zo’n naam die al jaren door de kunstwereld zingt, maar in Nederland maar incidenteel te zien is. Hij lijkt niet echt door te breken.

Maatschappelijke dilemma’s

In zijn films en installaties, bijvoorbeeld Playtime, stelt hij allerlei maatschappelijke dilemma’s aan de orde: de positie van zwarten, van homoseksuelen, de manier waarop mensen worden onderdrukt, de rol van kunst in de maatschappij. Maar die thematiek dringt slechts langzaam tot je door, omdat de vorm voor Julien zeker zo belangrijk is. Niet alleen verwijst hij voortdurend naar filmtechnieken en de filmgeschiedenis (constant duiken er cameraploegen zichtbaar op in zijn werk), hij gebruikt film vooral om de toeschouwer te verleiden. Grote schermen, felle kleuren, mooie mensen, exotische locaties.

Daarmee lijkt Julien een mooi, klassiek hedendaagsekunstdilemma aan de orde te willen stellen: de vraag of kunst moet bevestigen of ontregelen. Hoewel postmodernisten er niet aan willen, wordt dit onderscheid vaak beschouwd als een van de eenvoudigste manieren om kunst en amusement van elkaar te onderscheiden: amusement laat je zien wat je al weet (maar het is zo prettig om nog eens bevestigd te zien), terwijl kunst de dingen toont die nieuw zijn, ontregelen, verfrissen, verwarren.

Tegelijk zijn kunst en amusement in de praktijk zelden tegengestelden. Eerder de polen van een lange lijn waarop zich heel veel tussenvormen bevinden – bijna alle goede kunstwerken hebben tenslotte ook altijd iets amusants.

Beurshandelaren

Alleen komt daar wel iets bij: de esthetiek van amusement is direct verbonden met de heersende macht. Het bevestigt de maatschappelijke status quo – en daar begint het te wringen.

Eigenlijk is het heel simpel: de esthetiek die Julien gebruikt in zijn films is precies dezelfde waarmee de beurshandelaren, de sjeiks en de bankiers die ‘onze’ IJslandse fotograaf aan zijn failliet hebben geholpen hun welvaart tonen: de imponeerdrift, de grootsheid, de rimpelloosheid, de kleurigheid, de exotiek en niet te vergeten het optreden van celebrities als James Franco – leuk, maar onnodig. Het moet allemaal glanzend en groots – en daarin verschilt Juliens esthetiek nauwelijks van de mensen die hij bekritiseert.

Op zich is daar niks mis mee. Wat stoort is dat Julien met die dubbeling verder niks doet. De inhoud van bijvoorbeeld Playtime is niet verrassend of rijk, maar plat. Ja, donkere mensen zijn buitenstaanders in de samenleving, ja, hedgefondsmanagers zijn slecht, ja, Filippijnse werksters in Dubai hebben het beroerd, ja, het is lullig als je droomhuis bijna af is en je gaat failliet – maar terwijl de beelden voorbijtrekken, vraag je je af hoeveel Playtime nu eigenlijk zou moeten opbrengen en hoe Julien het in vredesnaam voor elkaar krijgt in dit werk geen enkele serieuze hint te geven over het feit dat dergelijke installaties alleen maar door rijke musea en privéverzamelaars kunnen worden aangeschaft. En hoe komen die aan hun geld?

Voor alle duidelijkheid: met dat aanschaffen heb ik geen moeite, wel met een kunstenaar die kritiek heeft op het circus der geldwolven, en daarbij zijn eigen rol in het spel buiten beschouwing laat.

Na Riot blijf je achter met een onvervuld, narrig gevoel: Juliens engagement lijkt vooral een vorm van edginess, een middel om zijn werk wat minder ‘amusant’ te maken en meer ‘kunstzinnig’.

Dat is jammer, en extra jammer omdat het oprecht te prijzen valt dat museum De Pont zoveel ruimte en tijd investeert in het tonen van een overzicht van één kunstenaar.