Klein Duimpje in R.K. Nederland

Niemand in Nederland zag in 1970 de benoeming van de conservatieve Ad Simonis tot bisschop aankomen. Ook Simonis zelf niet. Hij werd zo toegeeflijk mogelijk, maar was onverbiddelijk. Hij kon niet anders.

Adrianus kardinaal Simonis bereidt zich voor op de Eucharistieviering in Utrecht in december 2007 Foto Cynthia Boll/Hollandse Hoogte

Er zijn van die gebeurtenissen die op het ogenblik zelf een drama en achteraf bijna een wrange grap lijken. De benoeming van Ad Simonis (1931) tot bisschop van Rotterdam behoort tot die categorie van kleintragische historische blunders, waarvan Napoleons aanwijzing van zijn incompetente familieleden op hoge posten het meest kenmerkende voorbeeld is. In het katholieke Nederland van 1970, dat nog in verwachting was van een experimentele, gouden toekomst, maar dat feitelijk al in staat van erosie verkeerde, had niemand het aan zien komen.

Simonis voldeed bij lange na niet aan het gewenste progressieve profiel. Evenmin had hij sterke bestuurlijke of theologische papieren. ‘Jongen wat doen ze je aan’, sprak aartsbisschop Alfrink in reactie op diens benoeming. En de laatste echte kerkvorst hier te lande kon weten wat het betekende om een kerkprovincie te besturen, die in eigen ogen het geloof opnieuw uitvond en die in de ogen van Rome ernstig in de war was.

Ook voor de gezalfde zelf was zijn uitverkiezing een onverklaarbare gebeurtenis. Het scheen hem toe alsof Maria, alle heiligen, engelen en aartsengelen, God en de heilige vader zelf hem, nederige priester uit de Bollenstreek, geroepen hadden tot een taak waarop hij, op z’n zachtst gezegd, niet helemaal berekend was. Welbeschouwd was hij een nuttige kapelaan, een nobody, zoals er zo velen waren geweest in de ‘goede oude’ paapse tijd. En als het aan hem lag, had hij dat willen blijven, opdat hij een levenlang zonder ruis had kunnen bidden en brevieren (rondjes lopen met een kerkboek), en daarnaast ongestoord had kunnen genieten van zijn hobby’s als detectives lezen en postzegels verzamelen (waarvoor hij ondanks alle commotie rondom zijn hooggeplaatste persoonlijkheid tijd zou blijven vinden, zodat hij op hoge leeftijd de trotse bezitter was van twaalf albums met Mariazegels, ‘volstrekt uniek’ volgens hem zelf).

Ontzetting

Het mocht niet zo zijn. Niet de almachtige zelf, maar de paus van Rome, beval Adrianus Johannes Simonis het ambt te aanvaarden en later zelfs de hoogste geestelijke in Nederland te worden. Hij werd zogezegd de kapelaan die de kerk moest redden, een Klein Duimpje die van de paus zevenmijlslaarzen kreeg aangemeten. Tot ontzetting van hemzelf en van een deel van de gemeenschap der gelovigen.

Hoe het zo gekomen is, valt te lezen in de biografie van Ton Crijnen, die eerder een gewetensvol portret schreef van de katholieke priester, mysticus en verzetsman Titus Brandsma. Crijnen, die als journalist en vooruitstrevend gelovige indertijd ook leed onder de recht in de leer zijnde Simonis, heeft de bisschop de objectiviteit geschonken die hij als historicus kennelijk vindt dat de bisschop toekomt.

Het heeft een boek opgeleverd dat de tekorten van de kerkleider niet met de mantel der liefde bedekt, maar als het ware weg laat masseren door de tijd en omstandigheden. We volgen de hoofdpersoon van wieg, of beter gezegd, van huisaltaartje, tot ver na zijn pensionering, en zien voor ons de wording van de stereotype roomse priester. Hij eet, drinkt, ruikt, voelt, praat en kijkt rooms; hij veronachtzaamt zijn onderlichaam en verwacht van zijn roomse lotgenoten in de Heer hetzelfde; en hij zendt roomse boodschappen uit naar een wereld die daar steeds minder van begrijpt, alsof hij met boordje om en kaalgeschoren kruintje (tonsuur) van een andere planeet komt.

Heel zijn schijnbaar onhandige optreden, van uitspraken over homoseksualiteit tot het roemruchte Wir haben es nicht gewusst, over het kerkelijk seksueel misbruik, zijn het gevolg van een onwetendheid die ooit voor heilig werd gehouden (door hemzelf en evenzeer als door de beminde gelovigen). Priesters deden het niet, zo had hij geleerd, en dus wilde hij niet weten; homoseksualiteit was geen fout van de schepping, maar van de mens, dus hoefde hij het niet te accepteren, en zo verder en zo voort. Een zus maakte de kleine Ad ooit uit voor ‘lelijke rotpaus’. De drang tot dogmatisch corrigeren, zat er, kortom, al heel vroeg in bij het jongetje dat als zesjarige al wist dat hij priester wilde worden.

Parmantig

Toch was Simonis geen steile en starre Draufgänger, zo toont Crijnen overtuigend aan. ‘Maakt een parmantige wat onzekere indruk. Voor de rest wel goed’, rapporteert men over hem op het kleinseminarie oftewel op de junior-priesterfabriek van weleer. Hij wilde, net als ooit de humane bisschop Bekkers, de mensen met hun moeilijkheden met de strenge kerk wel begrijpen, maar zijn oprecht strikte geloof zat zijn menselijkheid in de weg. Als student te Rome, waar hij zijn ruimer denkende medestudenten opriep toch vooral ‘te blijven bidden’ voor ‘de situatie van de kerk in ons land’, als vrome kapelaan in verwilderende stadsparochies, als geschokte deelnemer aan de nationale revolutionaire kerkvergadering, het zogenoemde Pastoraal Concilie van Noordwijkerhout, en ten slotte als bisschop van Rotterdam en als aartsbisschop van Utrecht. Als mens aardig, zoals een priester aardig kan zijn, dus altijd met enige onbeholpen reserve die jarenlange opsluiting in een klein- en grootseminarie nu eenmaal met zich meebrengt; en als bisschop zo toegeeflijk mogelijk, maar uiteindelijk onverbiddelijk.

Dat is het verhaal van Simonis. Hij kon niet anders. Zijn opvatting van het bisschopsambt als chef van de troepen die de aarde voorbereiden op hemel en zaligheid, verplichtte hem daartoe. Hij moest namelijk de leer dat alle heil van kerk, priester, paus en God kwam verkondigen, want verder was er in de kerktop vrijwel niemand meer die dat deed.

De aanstelling van deze kapelaan in geest en uiteindelijk hoogste bisschop in werkelijkheid, bracht een schok teweeg in het katholieke vaderland, dat nog opgeschud zou worden met een hele reeks orthodoxe bisschoppen – van Gijsen tot en met Ter Schure. Op afstand heeft de gebeurtenis ook de kenmerken van een tragikomedie met pechvogels in de hoofdrol: de vernieuwende gelovigen voor wie Simonis te conservatief was, de behoudende gelovigen voor wie hij te weinig opkwam in hun ogen, en natuurlijk de bisschop zelf, die veel uren van zijn filateliegeluk moet hebben opgeofferd aan die drammerige kerkprovincie.