Jodenhaters zijn psychiatrische patiënten

In drie recente boeken over jodenhaat komt de bekende geschiedenis van jodenhaat aan bod, én het actuele antisemitisme. Israël is niet de oorzaak, hooguit een aanleiding, schrijven twee van de drie.

Onbekenden kalkten in Velserbroek een abri (met een affiche voor het theaterstuk Anne) onder met antisemitische leuzen Foto ANP/Evert Elzinga

Jodenhaat, het is net als met Sinterklaas. Zoals een kind zich in bochten moet wringen om te geloven dat Zwarte Piet door de cv-buizen een cadeautje komt brengen, zo moet de jodenhater volstrekt tegengestelde beweringen zien te rijmen. Hij moet de joden haten omdat ze rijk en machtig zijn. En hij moet een hekel aan ze hebben omdat ze arm zijn als kerkratten en met hele horden tegelijk komen parasiteren op de samenleving. Hij moet ze haten omdat ze taai aan hun god, hun keppeltje en hun spijswetten vasthouden. En hij moet ze wantrouwen zodra ze assimileren. ‘Maar racisten hebben nooit last van hun eigen tegenstrijdigheden’ schrijft Michel Wieviorka in Het antisemitisme uitgelegd aan jongeren. ‘Jodenhaters’, schrijft Ron van der Wieken in Jodenhaat, ‘zijn psychiatrische patiënten.’

Het zijn kenmerkende zinnetjes uit twee boeken die inhoudelijk dicht bij elkaar liggen, maar in temperament verschillen. Wieviorka is een Parijse socioloog die de geschiedenis van het antisemitisme vertelt in de vorm van een gesprek met een jongere. Hij doet dat bedaard en relativerend. Van der Wieken is een Amsterdamse cardioloog in ruste die de zweep haalt over alles en iedereen bij wie hij jodenhaat vermoedt. Zoals The Guardian in Engeland en NRC Handelsblad die zich volgens hem ‘consistent en kwaadaardig’ tegen Israël keren. Zijn felheid geeft het boek van Van der Wieken een fijne flair.

Het verschil met enkele decennia geleden, schrijft Wieviorka, is dat ‘voor velen het antisemitisme een mening (is) geworden als alle andere.’ Dat lijkt een wat boude bewering vanuit Nederland, waar jodenhaat een maatschappelijk taboe is, hoe vaak het ook wordt overtreden.

Gaza

Tegenwoordig deint de jodenhaat vooral op de golven van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Als het daar spannend wordt, gaan in Europa mensen de straat op. Afgelopen zomer leidde de oorlog in Gaza tot uitbarstin gen van jodenhaat in Den Haag en Amsterdam. Bij demonstraties die in naam tegen de Israëlische militaire acties waren gericht, werden leuzen gescandeerd als ‘Hamas, Hamas, alle joden aan het gas’ en ‘Dood aan de joden, dood aan Israël’.

Aan de ene kant heet het dat de politiek van Israël terecht woedende reacties oproept, die kennelijk even logisch uitmonden in algemene jodenhaat. Aan de andere kant wordt gezegd dat de islam nu eenmaal een bron van antisemitisme is – alsof de demonstraties alleen worden bezocht door moslims en alsof zij het alleenrecht hebben op jodenhaat.

De boeken van Wieviorka en Van der Wieken laten zien dat jodenhaat niet is voorbehouden aan moslims of welke groepering dan ook. In hun betoog komen dezelfde episoden uit de geschiedenis voorbij die vaak worden aangehaald: de religieuze vijandigheid vanuit het christendom, de beschuldigingen van rituele kindermoord, de perfide vervalsing ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’, de uitroeiingspolitiek van de nazi’s, de ontstaansgeschiedenis van Israël, de dunne scheidslijn tussen anti-Israël en antisemitisme, de jodenhaat van rechts en van links.

Met hun mars door de eeuwen tonen de schrijvers dat (de houding van) Israël niet de oorzaak is van jodenhaat, hoogstens een aanleiding. Wieviorka gaat serieuzer dan Van der Wieken in op de situatie in Israël zelf. De laatste schrijft dat de Arabische Israëliërs alle burgerrechten en -plichten hebben, behalve het recht om dienst te nemen in het leger.

Hij analyseert jodenhaat als een hardnekkige variant van vreemdelingenhaat, en stelt dan ook uiteindelijk met zoveel woorden: ‘Het antisemitisme gaat iedereen aan. Een maatschappij die een groep mensen apart zet, die minachting tegenover die groep tolereert, die haat en praktijken van discriminatie, segregatie en geweld ten opzichte van die groep toestaat, is een zieke samenleving.’ Het antisemitisme, zegt hij, is ‘een probleem voor alle democraten en humanisten, en niet alleen voor joden. En precies hetzelfde geldt voor alle andere vormen van racisme.’

Van der Wieken wil niet zover gaan. Ja, hij schrijft dat joden de ‘kanariepietjes van de samenleving’ zijn, die algemene tendensen van intolerantie het eerst voelen. Maar in zijn boek is jodenhaat een unieke fobie.

In dat uitgangspunt loert een ander gevaar. In zijn ijver het waarom van deze haat te verklaren, slaat de schrijver – en Van der Wieken is hierin zeker niet de enige – soms dezelfde paden in als de haters die hij bestrijdt. Wie de zeer uiteenlopende aanleidingen voor jodenhaat stuk voor stuk betwist, loopt het risico ze even serieus te nemen als degenen die in de aanleiding reden ziet joden te haten. Vermoedt hij in de kille houding van Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog een schuldgevoel over hun houding jegens de joden tijdens de bezetting, dan moet hij voor de moslims van nu een andere reden zoeken. Niet onbegrijpelijk, schrijft Van der Wieken, dat Palestijnse Arabieren ‘wrevel en woede voelen’, omdat zij in wat nu Israël is moesten ‘inschikken voor Europese Joden’, die vervolgens het land ontwikkelden in een tempo ‘dat de Arabieren maar moeilijk, of niet, konden bijbenen’. Dan is het dus weer jaloezie en daarmee laat Van der Wieken onbedoeld ruimte voor een ‘zie je wel, er is toch iets’.

Zinsneden

Die ruimte is er geloof ik niet in het boek Haatspraak. Antisemitisme – een 21ste-eeuwse geschiedenis van de Nijmeegse cultuurhistoricus Remco Ensel, ook al eind vorig jaar verschenen. Ik zeg het voorzichtig omdat ik niet durf te beweren dat ik zijn boek helemaal vat. Ik struikelde over zinsneden als „het essentialiseren en verdinglijken van een begrip’’ of „wie een ‘jood’, ‘Marokkaan’ of ‘Nederlander’ in mogelijke koppeltekencombinaties is, staat niet vast” of wijsheden als ‘bloed is in any case een gemeenschappelijk sleutelsymbool in de Mediterranée.”

Ensel put uit vele en rijkgeschakeerde bronnen van de (populaire) cultuur. Hij citeert met hetzelfde indrukwekkende gemak Abram de Swaan, politiek-linkse pamfletten uit Marokko, en Mocro-raps. Op internet kun je nog altijd luisteren naar de Nieuwe Allochtoonse Generatie (NAG) die in 2002 de rap Kanker Joden schreef (‘jullie joden moeten weten dat ik jullie haat / binnenkort kom ik met een Kalasjnikov / jullie moeten weten dat ik jullie pof’).

Met een oog voor de symboliek van taal die de antropoloog in hem verraadt, geeft Ensel voorbeeld na voorbeeld van hoe joden vaak als spiegel voor de identiteit van andere bevolkingsgroepen worden gebruikt. De voorbeelden zijn indrukwekkend. De analyse blijft in nevelen gehuld.