Hoe betonkoppen het moesten afleggen

De staat wantrouwde het volk en duldde geen tegenspraak, vandaar dat er binnenshuis heel wat werd uitgevochten. Een familiegeschiedenis illustreert hoe een militaristische staat ideologisch leeg liep.

Feestdag in Oost-Berlijn bij de Dom, ongeveer een halve eeuw geleden Foto Vintage Everyday

Dictaturen, die doorgaans bij ideologische verstarring zweren, kunnen niet voorkomen dat de wereld buiten hun muren verandert. Hun poging een wereldbeeld te cementeren, draagt soms bij tot hun ondergang. Zo teerde de DDR op het antifascistische discours, dat zelfs het hermetisch afschotten door een Muur van beton moest rechtvaardigen.

Die legitimatie verdween echter samen met de generatie die haar had gedecreteerd. Na de demografische aderlating vóór de bouw van de Muur bloedde de DDR ideologisch dood. In zijn boeiende Oost-Duitse familiegeschiedenis Rode liefde vat Maxim Leo (1970) het zo samen: ‘In drie generaties was de energie van de staat opgebruikt. De DDR bleef het land van de ouderen, van de grondleggers, en hun logica had voor niemand meer zin.’

De ouderen, dat zijn vooral de grootouders. Werner, Leo’s grootvader van vaderskant, was Hitleraanhanger, maar stak in de DDR enthousiast de rode vlag uit. Toch laat Leo zien dat Werner te naïef is om zomaar een opportunist te zijn, wat van hem nog geen aangenamer mens maakt. Zijn grootvader van moederskant, Gerhard, een jood, behoorde tot het Duitse Bildungsbürgertum. Tijdens de oorlog sloot hij zich aan bij het Franse verzet. Hij werd gevangen genomen, gefolterd en ontsnapte ternauwernood aan executie. Hitler dreef Gerhard in de armen van het communisme. Eind jaren veertig vestigde hij zich vrijwillig in de DDR.

Ruzies

Gerhard tolereerde geen enkele kritiek op het systeem: de ideologie was Ersatz voor het vaderland, de partij voor het gezin. Maar die mentaliteit was moeizaam overdraagbaar op de volgende generatie, die de legitimatie van de dictatoriale DDR in twijfel trok. Dat gold nog meer voor de generatie van Leo, die als jongen weinig begreep van de conflicten in zijn familie: ‘Er waren veel ruzies, en meestal gingen die over dingen die ik pas later echt begreep. Over de staat, de maatschappij, over de zaak, zoals het altijd heette. Onze familie was een DDR in het klein. Daar vonden de gevechten plaats die elders niet mochten plaatsvinden. Hier kwam de ideologie in aanvaring met het leven.’

Maar Gerhard blijkt veelzijdiger dan zijn kleinzoon Maxim aanvankelijk vermoedde. Hij verbergt zijn twijfels achter een masker van stalinistische discipline. In werkelijkheid beseft Gerhard dat hij gewantrouwd wordt door de communistische functionarissen die uit Sovjetballingschap zijn teruggekeerd: in hun ogen zijn alle communisten die uit het Westen komen verdacht, zeker als ze, zoals Gerhard, ook nog joods zijn. Als Gerhard in 1967 weigert mee te werken aan een televisiebijdrage die hij als antisemitisch beschouwt, vervalt de uitzending en wordt hij ontslagen, zoals Leo in Gerhards Stasidossier kan nalezen.

Tegenover zijn gezin laat Gerhard niets los over zijn twijfels. Omgekeerd probeert zijn dochter Anne voor haar zoon Maxim juist te verbergen hoeveel de DDR voor haar betekent. Misschien was die reserve overbodig. Want Wolf, Annes echtgenoot en Maxims vader, was een non-conformist die meer dan eens met de autoritaire staat overhoop lag.

Het is komisch én aangrijpend om te lezen hoe Leo tegen zijn vader (die zijn haar groen en blauw verft) rebelleert: ‘Op mijn veertiende streek ik mijn overhemden, op mijn zeventiende droeg ik een colbertje en deed ik mijn best Hoogduits te spreken.’ Gaandeweg begrijp je dat dit geen symptomen zijn van overdreven burgerlijkheid, maar een inkleding van Leo’s hunkeren naar normaliteit in samenleving en gezin.

Rode liefde is een spannend, genuanceerd (maar helaas erg slordig vertaald) verhaal over een staat die mislukte, omdat die behalve op een geperverteerde ideologie ook op de vijandschap van de leiders tegenover het eigen volk berustte. Die leiders moesten verzwijgen dat ze in hun zone over een volk heersten dat voor Hitlers verleiding gevallen was.

Dat publieke geheim maakte de DDR uniek op het communistisch halfrond: ‘Ze zijn nooit vergeten dat de mensen over wie ze nu heersten dezelfden waren die hen ooit uit Duitsland hadden verdreven. Voor hen was duidelijk dat dat volk alleen met geweld en zeer scherpe controle kon worden geregeerd. De Staatsveiligheid, de spionnenstaat, de militaristisch georganiseerde maatschappij waren het gevolg van het diepe wantrouwen tegenover hun eigen volk.’

Balletambities

Een heel ander boek dat ook de DDR thematiseert is Dolores Thijs’ Retour Berlin Ostbahnhof, een verhaal in de trant van Joel Agee’s Twelve Years: An American Boyhood in East Germany (1981). De schrijfster is een elfjarig meisje met balletambities dat met haar ouders in 1956 voor drie jaar uit Brussel naar Oost-Berlijn verhuist. Rode draad in Thijs’ relaas is het gekibbel tussen haar ouders: vader Maarten is als geprivilegieerde journalist van de Belgische communistische krant Rode Vaan een enthousiaste ‘gelovige’, terwijl moeder Julia alles neerhaalt wat haar man in de politiek aanbidt.

Thijs slaagt er goed in dat conflict tussen droom (de klasseloze samenleving) en werkelijkheid (schaarste en onderdrukking) te illustreren aan de hand van atmosferische schetsen en portretten. Maar het relaas blijft iets te anekdotisch om te beklijven en verliest zich in details die eerder thuishoren in een roman dan in een documentaire vertelling.