Het ‘vergruisde beeld’ op Srebrenica is er nog niet

Een tikje chaotisch is het boek waarin de voormalige Nederlandse officier Charlef Brantz, twintig jaar na dato, zijn licht laat schijnen over de val van de Bosnische enclave Srebrenica, die zoals bekend onder toezicht van een Nederlands bataljon stond en waar vele duizenden zijn vermoord. De titel, De Srebrenica dagboeken, is bovendien een beetje misleidend, omdat die doet vermoeden dat Brantz er in Srebrenica bij is geweest. Hij was echter plaatsvervangend VN-commandant voor de sector waaronder Srebrenica viel, in het relatief veilige Tuzla. Het zijn ook geen dagboeken, maar memoires.

In tegenstelling tot de talrijke blunderende Nederlandse militairen in die dagen, zowel in Srebrenica als in Den Haag, had Brantz in 1995 een goede naam onder journalisten, overigens een mensensoort waarmee hij weinig blijkt op te hebben. Hij verwijt de toenmalige journalistiek vooringenomenheid, als gevolg van emotioneel verlangen naar westerse interventie. Aan Brantz’ bureau in Tuzla dankte de journalistiek bijvoorbeeld inzicht in afspraken over de deportatie van de moslimbevolking tussen de Nederlandse bataljonleiding en de Servische oorlogspartij.

Bij historische gebeurtenissen ontstaat er meestal na een tijdje een in ruime kring gedragen beeld van de feiten, dat pas later door historici ter discussie wordt gesteld – dat historicus Jan Romein ‘het vergruisde beeld’ noemde. Als het boek van Brantz iets duidelijk maakt, dan is het wel dat we in het geval ‘Srebrenica’ nog ver af zijn van voorlopige consensus. Vrijwel alle details zijn omstreden. Maar helaas niet in die zin, dat het blazoen van de Nederlandse betrokkenen kan worden opgepoetst. Het blijft een verhaal van een tekortschietende bataljonscommandant Karremans, op raadselachtige wijze uitblijvende luchtsteun – Brantz is een aanhanger van de these dat hieraan een geheim, internationaal besluit ten grondslag lag – en de achteraf gezien vreemde visie van bataljonsleiding én Den Haag, dat als het territorium van de enclave dan toch door de tegenstander was ingenomen, de bescherming van de burgerbevolking daar geen kerntaak van de Nederlandse militairen meer was.

Brantz’ herinneringen zijn beter en informatiever dan die van Karremans, die in 1998 kwam met het boek (onder de onsterfelijke titel) Srebrenica, who cares? Het boek van Brantz is echter een met name bron voor ‘Srebrenica’, en geen geschiedenis. En dan nog is vaak onduidelijk waarop een en ander berust. Om een voorbeeld te noemen: de intrigerende bijzonderheden over de betrokkenheid van Al Qaeda bij de strijd aan moslimkant. Is dat hearsay of heeft de kolonel op zijn kantoor in Tuzla informatie voorbij zien komen?

Dit bezwaar is des te klemmender, omdat Brantz bij herhaling klaagt dat hij overal buiten wordt gehouden. Maar een toekomstig geschiedschrijver van ‘Srebrenica’ kan niet om dit boek heen.