De kat houdt het huis en het huwelijk op orde

Alles aan De kat (2001), Takashi Hiraides fameuze en nu vertaalde roman, is klein: de kat, de omvang van het boek, de taal en vooral het decor, dat nooit groter wordt dan een voormalige dienstwoning, een tuin en een vreemd gevormd achterafstraatje dat zo nauw is dat het de Bliksemsteeg wordt genoemd. Vrijwel het hele boek speelt zich af in die microkosmos, een oase van rust in de miljoenenstad Tokio.

In de dienstwoning woont een jong schrijversechtpaar dat thuis werkt, vaak in stilte. Een teken van vertrouwdheid of juist van sleet? Op zeker moment glipt er een kat bij hen naar binnen, die ze Pukkie noemen, en die officieel bij de buren woont. Pukkie wordt ook nooit meer dan een hotelgast, tevreden gehouden met schaaltjes horsmakreel en een fijn plekje om te slapen, maar steeds vastbesloten om weer naar huis te gaan.

Voor de verteller en zijn echtgenote is Pukkie een bron van fascinatie. De gedragingen van de kat brengen kleur in het eentonige leven en stimuleren de drooggevallen conversatie. ‘Als ik dan het raam opendeed om mijn gast, die de winterse ochtendstond met zich meebracht, te verwelkomen,’ schrijft Hiraide, ‘kwam het huis in één adem weer tot leven.’

Vooral voor kattenmensen is dit bescheiden boekje, dat uitblinkt in zoete weemoed, een feest van herkenning. ‘Observatie is de kern van liefde die niet vervalt in sentimentaliteit’, zo haalt de echtgenote een filosoof aan, en ja, een kat dwingt, veel meer dan een hond, tot observatie. Katten bepalen zelf hun agenda, waarin de mens alleen voorkomt als dat zo uitkomt. Dat geldt zeker voor Pukkie, die zich niet eens laat aanhalen.

Juist die nabijheid zonder afhankelijkheid maakt het mogelijk zorgvuldig te kijken. Te zien in plaats van te projecteren. Niet alleen het gedrag van Pukkie wordt door de verteller nauwkeurig geobserveerd, hij krijgt ook weer oog voor andere schoonheid: het vertekende licht dat door een kwastgat valt, het paren van libellen. In de beschrijvingen van al dit kleine geluk, verraadt Hiraide (1950) zijn achtergrond als dichter en essayist.

Toch gaat De kat vooral over vergankelijkheid. Het is het jaar dat keizer Hirohito sterft en een nieuw tijdvak aanbreekt, een symbolisch moment. De huisbazin die in een grote woning verderop woont, verkast naar een verzorgingstehuis, haar zieke man overlijdt, en het jonge echtpaar wordt een gedwongen verhuizing aangezegd.

Ook Pukkie laat zich niet meer zien, hoezeer de echtgenote haar best doet het hotel voor de kat op orde te houden. ‘Haar gehoor had kennelijk moeite met de toonhoogte van [Pukkie’s] belletje en ze vroeg me om de haverklap of ik de langverwachte voorbode nog niet hoorde. Na enige tijd gooide ze de horsmakreel weg en maakte ze verse klaar.’

De kat is geen spectaculair of ambitieus werk. Maar het is wel een teder en precies boek dat de glans en de tijdelijkheid van het alledaagse ontsluiert.