Alles wordt goedkoper, en dat is slecht nieuws

Goedkope benzine is leuk, maar de lage olieprijs heeft wel voor deflatie gezorgd. De prijzen in Nederland dalen. Dat hoeft niet erg te zijn, als mensen maar niet gaan hopen dat prijzen nog verder dalen.

Gaan we Japan achterna? Gisteren maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bekend dat de inflatie in Nederland is gedaald tot nul in januari. Dat is volgens de eigen, nationale berekening. Maar volgens de gemeenschappelijke Europese maatstaf bedroeg de inflatie in Nederland -0,7 procent. En in de gehele eurozone bedroeg de inflatie -0,6 procent. Deflatie dus. En het ziet ernaar uit dat dit nog wel een paar maanden gaat duren.

Kleding speelde een rol in januari, en levenmiddelen ook. Maar de belangrijkste oorzaak van het dalende prijspeil is de ingezakte prijs van ruwe olie: van 115 dollar per vat vorige zomer tot tussen de 50 en 60 dollar nu. Die halvering is vooral terug te zien in de brandstofprijzen. Benzine was in januari 13 procent goedkoper dan een maand geleden, gas 2,8 procent. De vergelijking met een jaar geleden blijft ook de volgende maanden sterk negatief. De chef-econoom van de Europese Centrale Bank houdt er zelfs rekening mee dat de inflatie in de eurozone tot na de zomer negatief blijft.

Is dat erg?

De vraag is nu: is dat erg? In theorie wel. Deflatie kan leiden tot uitgesteld koopgedrag: consumenten wachten liever met besteden tot de prijzen nog verder zijn gedaald. Die vraaguitval is slecht voor de economie.

Bovendien: de lonen dalen niet mee. Afgezien van het loonoffer dat wordt gevraagd van werknemers van V&D, is de nullijn de ondergrens. Bij deflatie stijgt de prijs van arbeid dus per definitie ten opzichte van de prijs van goederen en diensten. Als een hogere productiviteit van werknemers dat verschil niet goedmaakt, kost dat concurrentiekracht.

En dan misschien het belangrijkste gevolg van deflatie: schulden worden zwaarder. Zoals inflatie schulden uitholt en dus makkelijker te dragen maakt, zo verhoogt deflatie het gewicht van een schuld zwaarder. Die wordt steeds moeilijker af te lossen. Alles wordt immers minder waard, maar je schuld blijft even hoog. En aangezien de particuliere schulden én de overheidsschuld in Nederland hoog zijn, kan dat een probleem worden.

Er is pas echt een probleem als...

Tot zover de theorie. Want er zijn twee kanttekeningen bij te plaatsen. Allereerst wordt deflatie pas een echt probleem als deze zich nestelt in de overtuiging van ondernemers en consumenten. Pas als die geloven dat het hier een permanent verschijnsel betreft, zullen zij zich ernaar gaan gedragen. Dat gedrag kan dan weer een voortzetting van de deflatie veroorzaken. Economische stagnatie, als gevolg van groeiende schulden, vraaguitval en concurrentieverlies, is een prima voedingsbodem voor deflatie.

Zo ver is het nog lang niet, en hoeft het ook niet te komen. Nederland heeft ooit wel perioden van deflatie gehad – kort na de Eerste Wereldoorlog en tijdens de depressie van de jaren dertig. Maar recent was er alleen de kortstondige deflatie van 1987, die te wijten was aan een ongekende schommeling van de koers van de Amerikaanse dollar.

Het enige land dat recente ervaring heeft met deflatie is Japan – en zelfs dat wordt overdreven. Perioden van deflatie en inflatie wisselden elkaar daar af sinds de vastgoed- en aandelenzeepbel begin jaren negentig uiteen spatte. Per saldo zijn de prijzen in Japan sinds begin jaren negentig nauwelijks veranderd. Niet gedaald, dus.

Geen paniek dus

Geen paniek dus? Niet zolang het deflatiespook zich geen vaste woon- of verblijfplaats verwerft in onze harten en hoofden. De verzwakte koers van de euro drijft intussen de prijzen van invoergoederen op, en kan de deflatie voortijdig beëindigen. Want veel luxe goederen die we kopen, van iPhones tot flatscreens, gaan straks wel in prijs omhoog.

En zo gaan er wel meer grote schommelingen schuil onder het algemene prijspeil. Een voorbeeld: een brood is nu elf maal zo duur als in 1812 (het jaar dat Napoleon Rusland binnenviel), maar suiker is 2,5 maal goedkoper geworden in de ruim twee eeuwen die sindsdien verstreken.