Zeikerds, betweters en bemoeials

Het zal wel aan het soort woning (nieuwbouw) of aan het dorp (Velp bij Arnhem) hebben gelegen, feit is dat ik opgroeide in een straat waar er nogal wat woonden die de dingen beter wisten. Zeikerds, betweters en bemoeials. Buurmannen – het waren altijd mannen – die er genoegen in schepten om je verbeteren.

„Nee”, zei de ergste – net als mijn vader een ambtenaar – een keer op een verjaardag toen we het hadden over ‘dat stomme dorp’: „Velp is geen dorp. En ook geen stad. Velp is een storp.”

Stonden we op onze stoep, op straat of in de tuin iets te doen – zeg tuinieren, klussen of de auto wassen – dan kon je er donder op zeggen dat er snel eentje bij kwam staan. Vaak met de handen over elkaar.

„Persoonlijk zou ik het anders aanpakken. Eerst schuren en daarna de grondverf.”

Daar zat je natuurlijk niet op te wachten als je al halverwege was met schilderen, maar de grootste ergernis zat ‘m wat mijn vader betrof in het taalgebruik.

„Waarom beginnen de mensen in deze regio om de haverklap zinnen met ‘persoonlijk zou ik’, dat kun je toch ook weg laten?”

Er waren er ook die nadrukkelijk niets zeiden, net zo lang totdat je vroeg waar of ze naar stonden te kijken.

„Ik sta te wachten tot het misgaat.”

Om dan even later als het mis was gegaan – en het met veel moeite opgehangen vogelkooitje naar beneden was gevallen – te concluderen: „Zie je wel, daar kon je op wachten.”

Het allerergste waren zij, die je ongevraagd het werk uit handen namen omdat ze zelf vonden dat ze het beter konden. Het overkwam mijn vader in de laatste fase van zijn leven. Hij had zich erop verheugd nog een keer zijn druivenstruik onder het afdakje aan de zijkant van ons huis te snoeien, maar toen hij daar aan kwam trof hij er een buurman met een snoeischaar die alles wat groen was alvast had afgeknipt.

„Ik dacht die gaat straks weer klungelen. Je kunt het beter in een keer goed doen, dan twee keer half. Moet je over twee jaar maar eens kijken.”

Dat haalde mijn vader niet.

En de buurman ook niet.

Eergisteren, op mijn verjaardag, kwam mijn moeder met het bericht, dat de man tragisch was omgekomen in zijn eigen achtertuin. Ik stelde me zo voor dat er vast wel iemand hoofdschuddend naast had gestaan toen hij zichzelf uit zijn boom zaagde. ‘Persoonlijk’ zou ik dan hebben gezegd dat je ook nooit op een tak moest gaan zitten zagen.

„Daar kon je op wachten.”