Tam begin, funky einde

Het begint een goede traditie te worden: in het jaar dat er een nieuwe Bond uitkomt, verschijnen er ook altijd een paar spionnenparodieën. Er is geen modern archetype hardnekkiger en aantrekkelijker dan dat van de Britse gentleman-spion. In Kingsman: The Secret Service (van het team achter Kick-Ass) is die spion niet meer in dienst van de koningin, maar een freelancer voor een geheim genootschap. Hun vijand is ook helemaal van deze tijd: een internetmiljonair die het op klimaatwetenschappers heeft voorzien. Hij wordt gespeeld door een slissende Samuel L. Jackson, en is zich zoals alle personages zeer bewust van het feit dat hij buiten de film geen leven heeft: „Geef me een ongeloofwaardige, duivelse plot, net zoals in de oude James Bond-films”, lispelt hij. En die krijgen we.

Omdat spionnen van de oude stempel een beetje op zijn, is het aan Michael Caine en Colin Firth er eentje op te leiden. Die vinden ze in een Londense gribus. Eggsy (nieuwkomer Taron Egerton), weliswaar de zoon van een onfortuinlijk gestorven geheim agent, is opgegroeid in een achterbuurt waar vuisten het hoogste woord voeren. Met behulp van de juiste opleiding en gadgets komt het goed en loopt Eggsy voor hij het weet in tweed alsof hij nooit anders deed. Net als Kick-Ass spreidt ook Kingsman een gezond wantrouwen tegen autoriteit tentoon, en heeft daarom meer gemeen met die superheldenfilm waarin de helden geen superhelden waren, dan met spionnenfilms die van spionnen superhelden maken. Voor de rest is het een anarchistische bende, en wordt de film leuker naarmate we (na een wel erg uitleggerige eerste akte) op de funky grand finale afstevenen.