De bidon ging rond, maar dopinggebruik onbewezen

Vrijwel zeker weten dat er op behoorlijke schaal doping is gebruikt, maar dat niet kunnen bewijzen. Herman Ram, directeur van de Dopingautoriteit, zegt „een ongemakkelijk gevoel” te hebben over de uitkomst van de dopingzaak bij amateurvoetbalclub SV Spakenburg.

Uit onderzoek van de Dopingautoriteit is komen vast te staan, dat in het seizoen 2011-2012 het middel methylhexanamine – een energieverhogend stimulantium – in de Spakenburgse kleedkamer minimaal tweemaal beschikbaar was. Er kon evenwel niet worden vastgesteld of spelers het middel daadwerkelijk hebben gebruikt. In het onderzoeksrapport wordt gesproken van „aannemelijk gebruik”.

De Dopingautoriteit heeft formeel geen zaak en moet noodgedwongen afzien van een tuchtrechtelijke procedure tegen spelers of andere betrokkenen. De laatste hoop is dat voor de verjaringstermijn alsnog belastende verklaringen worden afgelegd, anders eindigt de Spakenburgse dopingzaak zonder strafvervolging.

Maar hoe kan niemand van de 20 ondervraagden dopinggebruik hebben toegegeven, terwijl de Dopingautoriteit in juni 2014 vrij nauwkeurig was geïnformeerd over het gebruik van methylhexanamine en deze krant onthulde dat in het kampioensjaar 2011-2012 voorafgaande aan elke wedstrijd een bidon met het in bodybuilderskringen populaire Crack V3 rondging? Op een enkele weigeraar na zou de voltallige spelersgroep ervan genuttigd hebben, met als gevolg een energieboost; de spelers konden blijven rennen en waren onvermoeibaar.

Als de informatie in deze krant van augustus 2014 klopt – wat volgende de Dopingautoriteit „globaal zo is” – moeten de verhoorde spelers grotendeels hebben gezwegen of keihard hebben gelogen. Een samenzwering tussen betrokken spelers kan geconcludeerd, maar niet bewezen worden. Directeur Ram wil daarover niet speculeren, maar hoopt dat op termijn betrokkenen uit gewetenswroeging alsnog dopinggebruik willen toegeven. Dat komt voor, leert de praktijk.

Het Spakenburgse onderzoek heeft de Dopingautoriteit ook geleerd, dat de kennis over verboden, stimulerende middelen onder voetballers schrikbarend laag is. De voetbalbond KNVB wordt geadviseerd daar werk van te maken. Extra controles kunnen niet op grote schaal worden uitgevoerd, omdat de Dopingautoriteit er door bezuinigingen de financiële armslag voor mist. Opsporing blijft beperkt. Volgens Ram speelde tot de zaak Spakenburg een stuk of acht zaken, uitsluitend voor cannabis en cocaïne. Maar na ‘Spakenburg’ zouden intensievere controles zeer gewenst zijn .