Semantisch koppeltjeduikelen

Lachen is vanavond verplicht, niet facultatief, zegt Pieter Jouke na zijn opkomst. Opdat als vrienden vragen of we bij Pieter Jouke moesten lachen, het antwoord alleen kan zijn: „Ja, dat moest. Daar was hij vrij duidelijk over.”

Het is de opmaat naar een avond vol met absurdistische wendingen, droogkomische observaties en semantisch koppeltjeduikelen. In zijn derde show, Tot nu toe, is Jouke uitgegroeid tot een alternatief voor Herman Finkers en Kees Torn, taalkunstenaars die momenteel niet op de podia te vinden zijn. Jouke is de vlottere babbelaar, maar hij put uit dezelfde taalgoocheldoos.

Zijn associaties zijn geestig en vindingrijk, zoals wanneer hij zijn wegen „ondoorgrondelijk” noemt en daar aan toevoegt: „En nou ben ik bang dat ik God ben.” Aan de andere kant van de leukschaal bevindt zich de slappe woordspeling, die Jouke niet wenst te vermijden. Zijn kinderen heten Tom en Jasmijn, „want we wilden voor allebei iets met T”. Zulke gewrongen maaksels zijn gelukkig ver in de minderheid.

Meer dan een magere poging tot een samenhangend verhaal doet Jouke niet. Geen probleem, want hij wisselt in hoog tempo van onderwerp, van opvoeden naar vreemdgaan en van robotica naar seks. Waarbij appeltaarten bakken een hilarische metafoor wordt voor de geslachtsdaad.

Als hij een paar maal serieus is, dan is dat in zogenaamde discussies met zijn zoontje, die hij kritische gedachten over het uitputten van de aarde en moderne slavernij in de mond legt. Zulke listen onderstrepen dat Jouke in grootse vorm steekt in Tot nu toe.