Rekenkamer: ‘Geef inzicht in impact bezuinigingen’

De Tweede Kamer heeft niet voldoende zicht op de impact van de bezuinigingen op culturele instellingen, om een goed besluit te kunnen nemen over volgende subsidieperiode.

In oktober van dit jaar zal de Tweede Kamer moeten besluiten over het cultuurbeleid en het subsidiestelsel vanaf 2017. Maar de Kamer zal dan niet beschikken over voldoende inzicht in de gevolgen van de forse bezuinigingen op de cultuurbegroting die het vorige kabinet heeft doorgevoerd. Dat constateert de Algemene Rekenkamer in een onderzoek naar de uitvoering en de maatschappelijke impact van die bezuinigingen.

De Rekenkamer laakt dat alleen van het eerste bezuinigingsjaar (2013) van de vierjarige subsidieperiode cijfers beschikbaar zullen zijn. De cijfers over 2014 worden pas na het Kamerdebat gepubliceerd, over 2015 zal er helemaal niets bekend zijn. De Rekenkamer vindt dat het ministerie de publicatie van Cultuur in Beeld (het jaarlijkse overzicht van het ministerie) moet vervroegen of dat het tijdpad richting de nieuwe subsidieperiode aangepast moet worden.

Het vorige kabinet besloot in 2011 om 200 miljoen op de cultuurbegroting te bezuinigen en deze terug te brengen naar 700 miljoen euro. Het huidige kabinet lijkt niet van plan dat budget te verhogen. In april zal de Raad voor Cultuur adviseren over het cultuurbeleid. In mei zal minister Jet Bussemaker (PvdA) haar uitgangspuntenbrief naar de Kamer sturen, die nog voor de zomer daarover zal debatteren. In oktober zal de nieuwe subsidieregeling worden vastgesteld.

23 culturele instellingen zijn er na de bezuinigingsronde mee opgehouden. De Rekenkamer vindt dat het ministerie tekortschiet door geen informatie te verzamelen hoe 114 andere culturele instellingen het volledig wegvallen van rijkssubsidie hebben opgevangen. Die informatie vindt de Rekenkamer van belang „omdat deze informatie inzicht geeft in de succes- en faalfactoren van het meer op eigen benen staan”.

De instellingen die nog wel rijkssubsidie krijgen, slagen er volgens de Rekenkamer in om „minimaal een deel van de subsidieverlaging te compenseren met een verhoging van eigen inkomsten”. Maar de Rekenkamer constateert dat onvoldoende informatie beschikbaar is om te bepalen wat „de motor achter de groei van eigen inkomsten is geweest”.

Van de publieksinkomsten is het redelijk goed in beeld, maar overige inkomsten zouden uitgesplitst moeten worden naar sponsorinkomsten, particuliere giften of inkomsten uit commerciële activiteiten. Daarnaast vindt de Rekenkamer dat er meer informatie zou moeten komen over de ontwikkeling van de werkgelegenheid en over toegankelijkheid van het culturele aanbod. Ook is er te weinig zicht op de ontwikkeling van de uitgaven.

De ministeries van Financiën en OCW laten in een reactie weten dat bij een snellere publicatie van cijfers de betrouwbaarheid in het geding komt. De informatie die ontbreekt, komt op langere termijn beschikbaar of het is niet mogelijk om die te verzamelen.

De Rekenkamer stelt ook dat er bovenop de bezuinigingen nog een bedrag van 73 miljoen euro minder is uitgegeven van 2011 tot 2013 dan was voorzien. Een groot deel is te verklaren doordat die uitgaven zijn verschoven naar onder meer de onderwijsbegroting en naar het Provinciefonds. Maar een overzicht ontbreekt, aldus de Rekenkamer.