Predikant in de mijn

De Belgische stad Mons is dit jaar culturele hoofdstad, maar veel van de geplande projecten zijn nog niet af. Hoogtepunt is een expositie over Vincent van Gogh, die als predikant in de mijnstreek verbleef en er zijn roeping als kunstenaar vond.

Vincent van Gogh, Cokesfabriek in de Borinage, 1879, tekening, 26,4 × 37,5 cm.

Het huisje waar Vincent van Gogh in 1879 in woonde, Maison Denis in het Waalse gehucht Petit Wasmes, is niet af. Het ziet er ook niet uit alsof er nog hard aan gewerkt wordt. Bouwvakkers zijn op deze doordeweekse werkdag in geen velden of wegen te bekennen. De oude gevel wordt ontsierd door nieuwe kozijnen van wit pvc, slordig aangebracht purschuim kruipt uit kieren. Alleen een gevelsteen herinnert eraan dat de kunstenaar hier ooit heeft gewoond. Schrijver Pascal Verbeken staat er mismoedig bij te kijken. In maart verschijnt zijn boek Duistere wegen, over de tijd dat Van Gogh als lekenprediker verbleef in de mijnstreek de Borinage. „Met erfgoed wordt in deze streek helaas niet erg zorgvuldig omgesprongen”, zegt hij

De nabijgelegen Waalse stad Mons (Bergen) is dit jaar een van de twee culturele hoofdsteden van Europa, en ter gelegenheid daarvan zou de ruïne van het huisje waar Van Gogh ’s avonds bij het haardvuur zijn eerste aarzelende schetsjes maakte, omgetoverd worden tot een bedevaartsoord, compleet met gastenkamer en horeca. Ondernemende lieden in de streek zijn al begonnen Van Gogh-bier en -chocola te produceren. Maar de toeristen blijven nog weg. „Men liet het huis tientallen jaren verkrotten”, vertelt Verbeken. „Pas toen Mons culturele hoofdstad werd, begon men het rijkelijk laat op te knappen.”

De problemen met het huisje staan niet op zichzelf. Mons kampt als culturele hoofdstad met meer tegenslagen. Het voornaamste kunstwerk in de stad dat was gemaakt ter gelegenheid van het project, een vier ton kostende installatie van de Belgische kunstenaar Arne Quinze, moest vijf weken na de opening alweer worden weggehaald wegens instortingsgevaar. Het negentig meter lange ‘nest’ van oranje planken had volgens de oorspronkelijke plannen vijf jaar moeten blijven staan.

The Guardian schreef medio januari een kritisch artikel over Mons als culturele hoofdstad. „De burgers zijn enthousiaster over de komst van hun eerste Ikea”, stelde het Britse dagblad. Kritiek is er onder meer op een aantal geld verslindende bouwprojecten die burgemeester Elio di Rupo, voormalig premier van België, in gang heeft gezet om Mons meer aanzien te geven. Zo laat hij het bij de bevolking geliefde oude treinstation vervangen door een futuristisch ontwerp van de Spanjaard Santiago Calatrava, die bekendstaat om zijn ontsporende budgetten en overschrijdingen van bouwtermijnen. Ook bij dit project zijn de kosten (nu 155 miljoen euro) inmiddels opgelopen tot vier keer het oorspronkelijke budget. En terwijl Mons al een maand culturele hoofdstad is, is van het station alleen nog maar de fundering af.

„Men hoopt in Mons op het Bilbao-effect”, zegt Pascal Verbeken. „En die hoop kan ik best begrijpen. De werkloosheid is in deze streek hoog, sinds in de jaren vijftig de steenkoolmijnen dichtgingen. In Mons heeft 21 procent van de beroepsbevolking geen betaalde baan en in de Borinage, het hart van de mijnstreek, zelfs 28 procent. Er zijn hier families waarin drie generaties leven van een uitkering.”

Toch heeft de streek ook veel om trots op te zijn, zegt Verbeken. „De Borinage is een streek waar de arbeidersbeweging altijd zeer sterk is geweest. Veel sociale omwentelingen die belangrijk zijn geweest voor België, zoals de eerste wet tegen kinderarbeid, zijn hier afgedwongen.” Staand naast het huisje van Van Gogh wijst hij naar een berg aan de overkant van een weiland. „Dat daar is geen gewone berg, maar een terril, een afvalberg van een steenkoolmijn. Er waren hier in de negentiende eeuw wel duizend mijnputten open. Overal in het landschap zie je er nog de sporen van: het vlakke land is heuvelachtig geworden. In die mijn daar, de Marcasse, is Van Gogh zelf afgedaald. Hij wilde met eigen ogen zien hoe de arbeiders onder de grond leefden.”

Ook van de Marcasse is nu niet meer over dan een ruïne. De eigenaren, die vol goede moed aan een verbouwing waren begonnen maar halverwege in geldnood kwamen, laten er hun paarden grazen. Een waakhond houdt pottenkijkers op afstand.

Op een met aquarelverf ingekleurde tekening van Van Gogh uit 1879 is te zien hoe zo’n mijn er oorspronkelijk uitgezien moet hebben. Rook kringelt uit schoorstenen, rechts van de mijn ligt de sintelberg. De hand van de grote meester is in dit werk nog niet goed te herkennen. Het is een van de slechts zes tekeningen die zijn overgebleven van de vele die Van Gogh gemaakt moet hebben tijdens zijn verblijf in de Borinage. De rest werd door hemzelf vernietigd of door zijn toenmalige huisbaas in het haardvuur gesmeten als die ze ’s ochtends verfrommeld op de grond vond.

Diepe sporen

De paar schetsjes die bewaard bleven, omdat Vincent ze mee stuurde in brieven aan zijn broer Theo, zijn te zien in Beaux-Arts Mons (BAM), op de tentoonstelling Van Gogh in de Borinage, die het hoogtepunt vormt van Mons als culturele hoofdstad. De tentoonstellingsmakers hebben ze aangevuld met ruim zestig latere werken, onder meer geleend uit het Van Gogh Museum en het Kröller-Müller Museum. Die latere werken hangen er om te laten zien dat de indrukken die Van Gogh opdeed in de Borinage diepe sporen bij hem achterlieten.

Ook toen hij in Zuid-Frankrijk woonde, keerde hij nog regelmatig terug naar het tekenen en schilderen van het dagelijks leven van arbeiders en de eenvoudige huizen waarin zij woonden. Daarnaast laat de tentoonstelling zien hoe Van Gogh zich in de Borinage bekwaamde in het tekenen. Van zijn broer Theo leende hij mappen en boeken met prenten van onder meer Millet en Bargue die hij keer op keer natekende. Van die oefentekeningen zijn er in Mons zo’n twintig te zien. Dat Van Gogh als kunstenaar geen natuurtalent was, maar hard moest oefenen om te leren mensfiguren van normale proporties te tekenen in een kloppend perspectief, is geen nieuw inzicht. Het Van Gogh Museum wijdde hier in 2013 al een thematentoonstelling aan, Van Gogh aan het werk.

De brieven zijn op de tentoonstelling in Mons interessanter dan de kunstwerken. Ze geven een goed inzicht in de belevenissen en het gedachteleven van de toekomstige kunstenaar.

In een brief van 16 april 1879, die het museum heeft verwerkt tot een filmpje, beschrijft Van Gogh zijn bezoek aan de Marcasse. „Niet lang geleden heb ik een zeer interessanten togt gemaakt, ben toen namelijk 6 uur lang in een mijn geweest”, schrijft hij vanuit Wasmes aan Theo. „Het is een sombere plek en bij t’eerste gezigt heeft alles in den omtrek iets akeligs en doodsch. De arbeiders aldaar zijn meestendeels lieden vermagerd en verbleekt door de koorts en zien er vermoeid en uitgemergeld uit, verweerd en vroegtijdig verouderd, de vrouwen vaal en verlept evenzeer over ’t algemeen.”

Van Gogh waagde zich maar liefst 700 meter onder de grond. Nauwkeurig beschreef hij het monnikenwerk dat de mijnwerkers daar dagelijks onder de grond deden, liggend of staand in hun kleine cellen, waar ze de steenkolen los bikten. Er leven daar zelfs paarden onder de grond, schreef hij vol verbazing.

Van Gogh was niet zomaar in ‘le pays noir’ terechtgekomen, hij had de streek welbewust uitgekozen toen hij besloot predikeer te worden voor de werkende klasse. Die beroepskeuze maakte hij nadat hij al mislukt was als kunsthandelaar, onderwijzer en boekverkoper. Telkens was hij gestruikeld over zijn sociale onhandigheid.

Predikant

Ook zijn loopbaan als predikant liep uit op een fiasco. Eerst werd hij binnen de proeftijd van drie maanden weggestuurd van de evangelistenopleiding in Brussel, vervolgens kreeg hij in de Borinage na zes maanden zijn ontslag als lekenprediker. Van Gogh was zo fanatiek in zijn geloof, dat hij een zelfverloochening nastreefde die grensde aan zelfverwaarlozing. „Ze vonden hem te excentriek”, vertelt Pascal Verbeken. „Het huisje in Petit Wasmes, waar hij inwoonde bij boeren, vond hij al snel te luxueus. Hij ging in een hutje wonen en gaf al zijn kleding, geld en andere bezittingen aan de armen. Voor de mijnwerkers die juist hoopten aan de armoede te ontsnappen, was dat onbegrijpelijk.”

Een struikelblok was ook de taal: de plaatselijke bevolking sprak patois, het dialect van de Borinage, terwijl Van Gogh keurig school-Frans sprak. Zijn preken werden daarom slecht bezocht. „Om zich toch nuttig te maken stortte hij zich op het bezoeken van zieken”, zegt Verbeken. „Er waren voortdurend mijnongelukken. Een van de rampzaligste was het ongeluk in de Agrappemijn in Frameries, in 1879. Het verhaal gaat dat Van Gogh erheen ging en zijn eigen kleding in olie drenkte om er wonden mee te verbinden.”

Van deze mijn is nu niets meer over. Wat resteert is een grasveld waaruit enkele ontluchtingspijpen steken die het mijngas moeten laten ontsnappen. „Dit was de meest dodelijke mijn van de Borinage. Er zijn hier honderden doden gevallen, maar er ligt zelfs geen gedenkplaat”, zegt Verbeken. „De jongere generatie die hier woont, heeft geen idee wat zich hier in het verleden heeft afgespeeld.”

Na zijn ontslag verhuisde Van Gogh naar Cuesmes, iets dichter bij Mons, waar hij een sombere periode meemaakte, waarover niet veel bekend is, omdat hij een jaar lang niet met Theo correspondeerde. Bekend is slechts dat hij als onbetaald prediker doorging, maar ook veel tekende. In maart 1880 maakte hij een barre voetreis naar Courrières in Noord-Frankrijk, waar hij de kunstenaar Jules Breton wilde bezoeken. Maar eenmaal aangekomen durfde hij niet aan te kloppen en keerde hij onverrichter zake terug, zonder een cent op zak. Onderweg ruilde hij zijn tekeningen, onder meer portretten van wevers, voor eten.

Hoe uitzichtloos de situatie waarin Van Gogh verkeerde ook was, steeds sterker groeide in hem de overtuiging dat het kunstenaarschap voor hem de enige weg was. Dat valt op te maken uit vier brieven die hij vanaf juni 1880, na de radiostilte van een jaar, aan Theo stuurde vanuit Cuesmes. Ze zijn net als de brief uit Wasmes integraal opgenomen in de catalogus bij de tentoonstelling. „Het is voor mij zaak goed te leren tekenen, meester te worden van hetzij mijn potlood, hetzij mijn houtskool, hetzij mijn penseel; als ik dat eenmaal bereikt heb, zal ik vrijwel overal goede dingen maken en de Borinage is even schilderachtig als het oude Venetië, als Arabië, als Bretagne, Normandië, Picardië of de Brie.”

In oktober vertrok Van Gogh naar Brussel, om tekenlessen te nemen aan de Academie. Ook daar stopte hij al na enkele weken. Maar het zaadje van de kunstenaar, dat in de Borinage was ontkiemd, groeide op eigen kracht verder.