Column

Nuttige paria’s

Voor ons huis staat opeens een gezellig ecotoilet, zo’n hoog uitgevallen brandkast waarin de mens achter slot en grendel doet wat hij moet doen. Het is bestemd voor de gemeentewerkers die wekenlang de straat ‘herinrichten’, een (te) mooi woord voor hun moddergevecht met de zware materialen en de winterse elementen.

Het moet koud zijn op die wc, zo koud als op de wc’s heel vroeger, toen ze nog in een aanbouw van het huis, of zelfs daarbuiten, gelegen waren. Voor de gemeentewerkers geen plek om op je gemak tot jezelf te komen – met al die voorbijgangers en schreeuwende collega’s in de buurt.

Maar vergeleken met vroeger moet het een hele uitkomst zijn. Hoe deden ze het toen? De plas kon nog tegen een boom, maar voor de grotere boodschap moest ergens worden aangebeld. „Mag ik even van uw wc gebruikmaken?” Niemand zal het graag hebben gevraagd.

Perfecte uitvinding dus.

Alleen: zo’n toilet moet wekelijks geleegd worden. Na 400 beurten wordt de afvaltank van 250 liter geacht vol te zijn. Op zo’n dag kwam dan ook een servicewagen met een opslagtank voorgereden. Een man stapte uit en ontrolde een slang naar het toilet. In amper vijf minuten had hij de vloeistof met de afgebroken fecaliën naar de opslagtank gezogen. En weg was hij: op naar het volgende ecotoilet. Daarna moest hij al het verzamelde spul lozen op een rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Zo’n man doet nuttig werk, maar toch zal hij in gezelschap niet graag vertellen wat zijn beroep is. Hij weet wat hij kan verwachten: meewarige blikken, flauwe grappen en misschien – het ergste – zelfs medelijden. Hij zal het laten bij ‘werk in de reiniging’ of iets dergelijks.

De minachting voor zulk werk is universeel, merkte ik toen ik op een van die dagen een artikel in de Volkskrant over Haïti las. Het land kampt, vijf jaar na de aardbeving, nog steeds met cholera. Er is geen rioleringssysteem, de mensen poepen en plassen op het land en in openbare wateren. Alleen de rijkeren hebben onder de vloer een latrine of een septic tank. De tanks kunnen met een slang worden leeggezogen, maar de latrines en oudere wc’s moeten worden leeggeschept door een zogeheten bayakou.

„Het zijn de paria’s van de samenleving, de onaanraakbaren, mikpunt van spot en vernedering”, schrijft de correspondent. „Ze werken alleen ’s nachts in de hoop dat niemand hen ziet.” Zelfs hun familie durven ze niet te vertellen welk werk ze doen. „Iedereen loopt met een grote boog om ons heen, kinderen zijn bang voor ons”, vertelt een van hen.

Eerder, vorig jaar maart, schreef ook The New Yorker een verhaal over zo’n bayakou in Haïti. Hij heette Russell Leon, was 54 jaar en had vroeger gewerkt voor Duvaliers gewelddadige geheime politie. Toen Duvalier gevlucht was, moest Russell onderduiken en het obscure baantje van bayakou aanvaarden. Hij verrichtte zijn werk bij voorkeur naakt („zoals ik uit mijn moeder kwam”) om te voorkomen dat zijn kleren de stank overnamen.

„Hij klimt voorzichtig in het gat”, schreef de verslaggever. „Dit is het gevaarlijkste deel omdat onvoorzichtige klanten vaak rotzooi in de latrines gooien. Een snee door een gebroken fles kan infectie, zelfs de dood, betekenen.”

Als er ooit riolering komt, is Russell zijn baantje kwijt, maar hij maakte zich geen zorgen. Er zal altijd afval en dus altijd een bayakou zijn, zei hij.