Het draait om de verpleger

Alleen als het niet anders kan, nemen ouderen hun toevlucht tot het verpleeghuis – als laatste station in hun leven. Menigeen prefereert zolang mogelijk de zelfstandigheid in eigen omgeving, al dan niet met behulp van mantelzorg. Maar als lichaam en/of geest dusdanige gebreken vertonen dat persoonlijke autonomie geen realiteit meer kan zijn, en er in de directe nabijheid geen adequate zorg en hulp voorhanden zijn, is verhuizing naar het verpleeg- of verzorgingshuis onvermijdelijk.

Daar moet de oudere haar of zijn bestaan in „waardigheid” en met „trots” kunnen voortzetten, daar wordt „liefdevolle zorg” geboden. Althans: zo staat het in de titel die staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid en Welzijn, PvdA) gaf aan het „kwaliteitsplan” dat hij gisteren presenteerde in het Haagse verpleeghuis Bosch en Duin. Een plan dat volgens hem een aanzet moet zijn tot „een fundamentele verandering” van de zorg in verpleeghuizen.

Wat er van deze aanpak terechtkomt? Scepsis is op zijn plaats. Verpleeghuiszorg laat zich niet praktisch vormgeven in een Haags rapport. Al zal het helpen dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg scherper gaat controleren en zonodig vaker handelend zal optreden, zoals Van Rijn aankondigt. Maar al te vaak is gedacht dat met de formulering van standaarden de zorg te reguleren viel; leidend tot bureaucratische processen en een overdaad aan management. De bewoner van het verpleeghuis is primair gebaat bij de liefdevolle zorg waar Van Rijn het over had. De verpleegkundigen met wie zij of hij dagelijks te maken heeft, doen er zo bezien veel meer toe dan de directeur achter zijn bureau of het bestuur op grotere afstand. De klassieker: meer handen aan het bed (en het overige meubilair, uitgezonderd bureaus) gaat hier echt op.

De staatssecretaris geeft in zijn plan blijk van dit besef. Hij wil personeel dat „trots” is op zijn vak. Dat moet dan niet aan allerlei regels zijn gebonden die de tijdbesteding per bewoner voorschrijven, en die slechts tot een theoretische correctheid leiden zonder dat de praktijk van verzorger en cliënt daar baat bij hebben.

Het zal interessant zijn om de resultaten met „regelarme instellingen” die Van Rijn wil uitventen, in de praktijk te ervaren. Hetzelfde geldt voor de persoon „van vlees en bloed” die de staatssecretaris uiterlijk eind 2016 als ondersteuning voor elke cliënt en zijn/haar verwanten aangesteld wil zien.

Het zijn plannen die beloftevol klinken. Maar het succes ervan hangt, zoals zo vaak, af van de uitvoerbaarheid én vooral van degenen die dagelijks de verantwoordelijkheid dragen voor de liefdevolle zorg die de ouderen in hun laatste fase van harte is gegund.