Hawking is de held van onze tijd

In de nieuwe film over Stephen Hawking is hij het prototype van de geïsoleerde denker. Zo simpel is het niet. Maar dit doet niets af aan Hawking als ideale wetenschappelijke held, vindt Louise Fresco.

Kosmoloog Stephan Hawking, vorig jaar bij zijn bezoek aan Utrecht. Foto David van Dam

In de oudheid was een held een tragische figuur die door het noodlot gedwongen werd tot dramatische keuzes of op een vreselijke manier aan zijn eind kwam. Maar sindsdien heeft het heldendom de nodige inflatie ondergaan. Helden zijn niet meer van nobele komaf, maar juist gewone mensen die meer doen dan er verwacht wordt: levens redden bij rampen, daklozen opvangen, water brengen naar de woestijn. Artsen zonder grenzen dus, naast de voorspelbare categorie brandweermannen en helikopterpiloten. Hedendaagse helden (m/v) vechten ook niet met wapens om de eer, maar met verstand en sociale bewogenheid. Zij moeten het niet hebben van brute kracht, maar van logisch handelen gemengd met mededogen. Dat is een logische ontwikkeling in een samenleving waarin fysieke eigenschappen niet meer onderscheidend zijn. Iedere tijd krijgt de helden die hij verdient, ook de kenniseconomie.

Maar hebben wij nog echte helden? Vraag naar moderne helden en je krijgt, afgezien van sport-, pop- en filmsterren, internetgoeroes en een enkele ruimtevaarder of politicus. Maar durf en ondernemerszin maken hoogstens rolmodellen, geen helden. Moedige politici doen toch allereerst hun plicht.

Boven kritiek verheven

Hoe gedegen Angela Merkel ook is, hoe onconventioneel de paus zich opstelt, ze doen weinig harten sneller kloppen. In de wetenschap is het niet veel beter: zelfs primatologe Jane Goodall of geneticus en entrepreneur Craig Venter zijn niet boven kritiek verheven. Er is vandaag maar één echte held die boven alles uitsteekt: kosmoloog Stephen Hawking, over wiens leven onlangs een film is uitgekomen (The Theory of Everything). Waarom is hij zo’n held van onze tijd, iemand wiens roem al decennia duurt? Dat ligt allereerst aan zijn onderwerp, dat mathematisch zo ingewikkeld is dat het zich voor het grote publiek alleen laat vangen in existentialistische termen zoals het begin van de tijd, de theorie van het alles of de oneindige dichtheid van het zwarte gat. Aansprekend omdat iedereen zich wel eens heeft afgevraagd wat er was vóór de oerknal of wat het verbijsterende aantal van 1023 sterren in het heelal betekent. Hawking lijkt voor de buitenwereld aan metafysische vragen te werken die ogenschijnlijk dichtbij de dagelijkse ervaring liggen. Het zijn, in tegenstelling tot een groot deel van de exacte en levenswetenschappen, vragen en antwoorden die geen enkel negatief of onbedoeld effect kunnen hebben. Er komt, althans in directe zin, niets concreets uit voort dat tot controverses leiden kan, geen gentherapie, geen nieuwe computer, geen plastic. Vragen gepresenteerd als filosofie in plaats van fysica, voor het publiek onschuldig en daardoor zo aantrekkelijk.

Dan is er de persoon van Hawking, het medische wonder van een breekbaar, roerloos lichaam waar alle kracht geconcentreerd is in het brein. Niemand kan onverschillig blijven tegenover zoveel denkkracht, gebaseerd op een fenomenaal geheugen. De held in het lichaam van de anti-held, triomf van de wilskracht, ultieme illustratie van de theorie van Anton Blok dat genieën pas groot worden door het overwinnen van tegenslagen.

In de film is Hawking het prototype van de geïsoleerde denker, die hoogstens af en toe collega’s ontmoet. Daarmee wordt gesuggereerd dat wetenschap een kwestie van geniale inzichten is. Het teamwerk wordt weggepoetst, net als de realiteit van het voortdurende geldgebrek. Wetenschap drijft op tienduizenden gemotiveerde onderzoekers die in tegenstelling tot Hawking braaf tijd schrijven. Maar dit doet niets af aan Hawking als ideale wetenschappelijke held. Verstand en genialiteit alleen zijn niet genoeg, het is wat je ermee doet, juist bij tegenslag.

Genialiteit hoeft niet te leiden tot direct economisch nut. Dat is de kracht van heldendom.