Europa mag geen dwerg met een zwakke munt worden

Politici negeren de verzwakking van het Europese toezicht op hervormingen in Zuid-Europa. Zo dreigt de euro een zwakke munt te worden en wordt Europa een economische dwerg, meent Adriaan Schout.

illustratie hajo

Was het Europese integratieproject ooit begonnen als ‘lokaal’ vredesproject, de ratio is zestig jaar later nadrukkelijk verschoven naar het belang van de Europese invloed op onze mondiale partners. Uiteindelijk ontleent de EU haar politieke macht aan haar economie. Wil de EU invloed hebben op het gedrag van Rusland, op de openheid van China of op mondiale klimaatafspraken, dan zullen de EU en haar lidstaten economisch sterk moeten zijn. Essentieel is daarom niet het overleven van de euro, maar de vraag: welke euro garandeert de Europese concurrentiekracht? Zwart-wit gezegd: een politieke of technische euro?

Deze vraag gaat terug tot de oorsprong van de euro. Frankrijk besefte rond 1980 dat haar politieke macht verzwakte door haar verstarde economie. De frank daalde. Duitsland stemde toe met monetaire integratie op voorwaarde dat de euro een sterke ‘Duitse’ munt zou worden. Welke euro hebben we nu, de sterke Duitse of de zwakke Zuid-Europese? Het antwoord is nog steeds onduidelijk.

De toekomst van de euro is deze weken op scherp gezet door de Europese Centrale Bank (ECB) en door Griekenland. De ECB neemt risico door zich met monetaire verruiming (‘QE’) te vervreemden van de Duitsers. De Grieken flirten met ongeveer alles dat de ‘grexit’ kan betekenen van opschorten van bezuinigingsafspraken tot aanschurken tegen Rusland. De Tweede Kamer nam gisteren stevige moties aan die erop aandrongen dat Griekenland zijn schulden tot de laatste cent zou moeten betalen. Maar waarschijnlijk blijft de Europese compromismachine gewoon zijn werk doen.

Deze ontwikkelingen komen bovenop andere dreigende aardverschuivingen. Geopolitieke spanningen met Rusland en de opkomst van protestpartijen in vrijwel elke lidstaat knagen aan de fundamenten van de Europese identiteit. Het Verenigd Koninkrijk overweegt serieus de relatie met de Unie afstandelijker te maken. Italië met een staatsschuld van tegen de 130 procent van het BNP lijkt ‘too big to fail’ te worden. Frankrijk daagt de EU-Commissie (en Duitsland en Nederland) uit door hervormingen te vertragen.

Optimisten onderstrepen de ferme maatregelen die recent genomen zijn om de euro te redden. Er is versterkt toezicht op de nationale economieën, er kwam een bankenunie waarbij banken failliet moeten kunnen gaan door de vermogens van eigenaren en spaarders af te romen (bail-in), en er wordt gewerkt aan Europese investeringsinitiatieven en jeugdwerkplannen.

Tegelijkertijd wordt de Europese Commissie meer politiek en minder onafhankelijk. Tot voor kort eiste Nederland (met Duitsland) een ‘onafhankelijke’ Commissaris voor het toezicht op lidstaten, maar president Juncker predikt juist dat zijn Commissie een politiek orgaan is onder toezicht van het Europees Parlement. Nederlandse politici lijken deze politisering niet op te merken of zij kijken gemakshalve opeens anders aan tegen onafhankelijk toezicht. Wie het overwicht krijgt in Europa moet nog blijken. De keuze van de ECB en de politisering van de Commissie maken het waarschijnlijk dat de euro minder hard wordt. De no bail-out clausule dat de ECB geen landen mag uitkopen, is verbleekt. En systeembanken worden niet afgeroomd als ze dreigen te vallen.

Hiermee maken de afspraken plaats voor de politieke realiteit. Het tweede probleem betreft de Europese cohesie, dat wat ons bindt om samen te werken aan een sterke economische positie ten opzichte van Azië. De meeste EU-landen dringen aan op solidariteit en flexibiliteit, Duitsland wil afdwingbare economische contracten voor lidstaten. Nederland wil die dwang niet maar hoopt onverminderd dat Frankrijk en anderen alsnog moderniseren door ‘elkaar aan te spreken’.

Door al deze onderlinge verschillen dreigt elke oplossing voor de euro de Europese fragmentatie te vergroten. Wat is nu het beste voor Nederland: vasthouden aan onze economische visie op afspraken-zijn-afspraken (en daarmee fragmentatie te riskeren door polarisatie) of moeten we iedereen iets blijven gunnen (door kool en geit te sparen)?

Niet elke oplossing is even goed omdat de Europese concurrentiekracht in het geding is en die is al aan het eroderen. Tussen 2001 en 2013 daalde Europa op de concurrentie-index gemiddeld van plaats 26 naar plaats 40 op de wereldranglijst. Frankrijk daalde van 12 naar 23 en Italië tuimelde van 24 naar 49. Sindsdien hebben Griekenland, Ierland en Spanje de weg naar boven hervonden, maar onder zulke hoge externe druk dat Syriza en Podemos zijn opgestaan en de duurzaamheid van de hervormingen weer aantasten. De EU dreigt een economische – en dus politieke – dwerg te worden.

Hoogste tijd dat euromaatregelen getoetst worden aan hun bijdrage aan de Europese concurrentiekracht. Daar ligt ons strategisch belang en vanuit dat perspectief redeneert Nederland te weinig. Federaliseren, centraliseren, politiseren, het is allemaal verdedigbaar als het maar onderbouwd is.

Dat dit ontbreekt, komt doordat alles en iedereen gericht is op het bijeenhouden van de eurozone ook ten koste van de macht van de EU. Duidelijkheid is nodig over een euro die de Europese concurrentiekracht garandeert. Een Europa met een verzwakte munt is levensgevaarlijk.