De toekomst is van plastic

Het Nieuwe Instituut in Rotterdam heeft een tentoonstelling gemaakt over het materiaal dat onze tijd gevormd heeft: ‘Plastic’. Ooit waren kunststoffen een geschenk voor de natuur, nu buigen ontwerpers zich over het plasticprobleem.

Alison en Peter Smithson, House of the future, 1956 Foto Daily Mail

Wat een geluk voor de olifant dat eind negentiende eeuw de eerste kunststoffen op de markt kwamen. De aanleiding was de biljartbal. In 1863 werd in de Verenigde Staten een oproep gedaan wie een alternatief materiaal wist voor de altijd ivoren biljartballen. Er waren niet genoeg neushoorns en olifanten om te blijven voorzien in die behoefte. De oproep loonde en de eerste kunststoffen, celluloid, bleken opvallend handig. Je kon er ook kammen mee maken, met hetzelfde schildpadmotief van gewone schildpadden. Ook exclusieve houtsoorten en koraal konden nu gespaard worden. Het was een groot geschenk voor de natuur, de komst van plastics. Toen nog wel.

Die biljartbal vormt het begin van de tentoonstelling Plastic: Promises of a Home-Made Future. Hij ligt tussen foto’s van lakleren mini-jurken en sixties kunststofmeubelen in een kleine vitrine. Na de vorige expositie over hout is dit de tweede tentoonstelling van het Nieuwe Instituut over het materiaal dat onze tijd gevormd heeft. Plastics zijn overal. Terwijl u dit leest, bent u omringd door plastic. Leest u dit op de computer? Daar zit plastic in. Andere apparatuur? Uw meubels? Idem. Uw kleding voelt wel natuurlijk aan, het zit vol synthetische vezels. Zonder plastic geen consumptiemaatschappij. Plastic kent geen schaarste. En wie nu nog een schildpadkam ziet, weet zéker dat hij met plastic te maken heeft.

Honderd jaar geleden was dit alles nog heel anders. De grote geboorte van kunststoffen moest nog beginnen. Iemand die hard nadacht over kunststof, was Leo Baekeland. Hij vond rond 1907 een vervanging voor een ander duur natuurlijk materiaal, schellak. Ook de lakschildluizen werden van hun functie ontheven. Baekelands vinding bleek niet alleen praktisch, vormgevers werden verliefd op de schoonheid van dit bakeliet dat nog synthetischer was dan celluloid. Wat was het hard, stevig, glanzend, sensueel. Niets geen lastige houtnerf, het vleide zich in elke gevraagde vorm. Het stroomlijnen ontstond en Greyhoundbussen maar ook radio’s en keukenapparatuur gingen eruitzien alsof ze harder konden dan honderd kilometer per uur – de moderne vooruitgangsgedachte uitstralend.

In de jaren twintig en dertig was de koortsachtige opleving van de plasticindustrie een feit geworden. Olieraffinaderijen waren blij met hun nieuwe afzetmarkt. Wekelijks werden tientallen plastics uitgevonden. Het was ook de tijd van de laboratoriumongelukjes: er lekte wel eens iets of in een flacon bleef een drab achter die er best veelbelovend uitzag. Zelfs de makers wisten niet altijd precies wat ze met die nieuwe vindingen moesten en gaven het in afwachting maar vast een naam, bijvoorbeeld Teflon. Het kon ook andersom. Een materiaal dat in oorlogstijd vergeefs werd aangeboden als alternatief voor rubber voelde zo lekker cool dat het als speelgoed op de markt kwam: Silly Putty. Niets zo veelzijdig als deze rekbare materialen, de ‘poly-nog-wat’-benamingen verwijzend naar de vele atomen in de lange moleculen.

Atoombom

De Tweede Wereldoorlog bleek een extra impuls door toedoen van de oorlogsindustrie. Die Teflon bleek handig in de atoombom. De populariteit van plastics groeide: niet alleen kon je er je boterhammen in verpakken, het hield zelfs de wereld veilig. Met de naoorlogse babyboom volgden hoelahoeps, barbies, lego. Van auto’s en meubels ging plastic over naar wegwerpspullen en verpakkingen. Meer nog dan bakeliet bleken de nieuwere plastics kneedbaar als kauwgom, resulterend in een faustiaanse eindeloze vrijheid en massaproductie. Als je in het Nieuwe Instituut het vele Amerikaanse videomateriaal beluistert, valt zelfs op hoe lekker glad het woord plastic er klinkt: sexy, sensueel en tegelijk ook goed afwasbaar.

De tentoonstelling begint dan ook terecht blij, maar al voorbij het eerste plastic scheidingsgordijn hangen de bekende foto’s van de plasticsoep en van een albatros met wegwerpproducten in de ingewanden. Zelfs schildpadden, ooit door plastic gered, hebben nu zulke materialen in hun darmen. In de expositie draait een filmisch interview met journalist Susan Freinkel, auteur van Plastic: A Toxic Love Story. In dat boek beschrijft ze hoe onze verliefdheid op plastics in de twintigste eeuw zich ontwikkelde tot een liefdesrelatie die slecht afliep. Het wondermateriaal werd goedkoop, ordinair. Het werd een milieuvervuiler waar we niet meer van loskomen.

Voetafdruk

Die afkeer is niet helemaal eerlijk, want kunststoffen hebben de natuur ook goed gedaan. Ergens is het jammer dat de expositie niet meer van die blije plastic bubble laat zien. Maar dat is omdat het ruim baan geeft aan een urgenter kwestie, namelijk de toekomst. En daar gloort zowaar hoop: 3D-printers. Nu deze beter worden in het hergebruiken van plastics zou onze liefde voor het materiaal weer kunnen opvlammen. Stel je voor: dat je met afval je benodigdheden thuis kunt printen, niet meer naar winkels hoeft, de voetafdruk dus slinkt, passieve consumenten veranderen in betrokken makers met liefde voor hun spullen en omgeving. Geweldig. Aan de andere kant: ook internet had die democratische belofte en wordt intussen grotendeels beheerst door bedrijven in Silicon Valley. Tussen de vele ‘opensourceplatforms’ rond 3D-printing, waar creatieven hun ideeën uitwisselen, is ook al een eerste miljoenenbedrijf ontstaan.

Intussen buigen ontwerpers zich over het plasticprobleem. Om de urgentie van recycling te onderstrepen meldde een spreker in het Nieuwe Instituut dat zijn penis een centimeter kleiner zou zijn dan die van zijn grootvader – verwijzend naar studies over de hormonale invloeden van microplastics in de natuur op de menselijke vruchtbaarheid. Meer argumenten zei de spreker, Gaspard Bos van het Perpetual Plastic Project, nooit nodig te hebben om zijn toehoorders te overtuigen van de ernst van het milieuprobleem. Zijn bedrijf ontwikkelt interactieve installaties die alledaags plastic afval recyclen tot sieraden en speelgoed, met een 3D-printer waarmee consumenten hun eigen huisvuil weer waarde geven.

Bioplastics

Naast 3D-printing zijn ook zogenoemde bioplastics een tegenoplossing. De Dutch Design Week liet afgelopen najaar veel materiaalonderzoek zien: karpetten van zeewier, tegels van zoutkristallen, sieraden van as. Het Nieuwe Instituut toont schaaltjes van aardappelschillen, in vernieuwende silhouetten geprint, naast bioplastics van fungi die nota bene zelf synthetisch plastic eten: dubbel winst dus. Er gebeurt meer dan de tentoonstelling laat zien (ga naar het MU in Eindhoven om voedsel te zien dat van plastic etende fungi gemaakt wordt). Maar grootschaligheid lijkt vaak nog ver weg. 3D-printers zijn niet bedoeld voor massaconsumptie. „Zo’n zeven legoblokjes”, antwoordt de instructrice over wat een recyclende printer in de tentoonstelling die ochtend in de printsessie had opgeleverd (dat duurt volgens de producenten ruim een uur). Daarmee zijn de penissen wereldwijd nog niet gered.

Bio-plastics, 3D-printing, ergens gloort een nieuwe toekomst, maar waar precies, is nog onduidelijk. Het een is langzaam, het andere composteert slecht, het derde lijkt primitief – de fungischaaltjes ogen allesbehalve vaatwasserbestendig. Maar spannend is het allemaal wel. Wie zal de strijd om de toekomst winnen? Zijn het de nieuwe aardappelboeren en fungi-ontwerpers of bedrijven als Coca-Cola die water in van planten gemaakte petflessen bottelen – over twee jaar in Europese supermarkten? Worden printerbedrijven allesbepalend of de zelfmaakindustrie in opensourceplatforms? En heeft een toekomst vol eeuwige recycling geen nieuwe faustiaanse dilemma’s, nu we thuis wapens en spionagedrones kunnen printen?

3D-printing maakt plastic opnieuw een ongewis terrein vol ideologische en economische belangen, stelt de tentoonstelling. Barack Obama kondigde van overheidswege grote 3D-laboratoria aan in samenwerking met bedrijfsleven en leger – vaker een aanjager van nieuwe technologieën. Wie weet wat dat betekent voor de positie van de VS naast plasticgigant China. De wereld verandert razendsnel, niemand weet hoe deze er over tien jaar uitziet. Maar één ding is zeker. De toekomst is van plastic.