‘Wie rondhangt, vindt altijd iets’

De beroemde documentairemaker over zijn film over The National Gallery.

Documentairemaker Frederick Wiseman laat de toeschouwer goed rondkijken in The National Gallery aan Trafalgar Square

In zijn documentaire National Gallery belicht Frederick Wiseman het museum aan Trafalgar Square in Londen, met zijn beroemde collectie schilderijen, van Rembrandt tot Rubens en van Vermeer tot Poussin. Zoals altijd bij Wiseman (85), die regelmatig is uitgeroepen tot de beste documentairemaker van de Verenigde Staten, maakte hij de film zonder interviews, zonder voice-over en ook zonder muziek.

Wiseman doet nooit research vooraf: hij gaat langs met zijn kleine cameraploeg – hij doet zelf het geluid – en observeert. Die benadering leverde een boeiend portret op van het werk van de rondleiders en restaurateurs, van vergaderingen waarbij de waardigheid van het museum en de noodzaak een groot publiek te bereiken ongemakkelijk tegen elkaar aanschuren, tot aan de kneepjes van de kunst van de belichting als er een nieuw werk wordt geïnstalleerd. Bovenal is National Gallery een film over alle uiteenlopende manieren die er zijn om naar kunst kijken.

U bent er beroemd om dat u nooit interviews gebruikt in uw films. Toch zitten we hier voor een interview.

„Ik moet wel. Ik moet wel iets aan publiciteit doen, anders weten mensen niet dat deze film bestaat.”

In ‘National Gallery’ laat u wel interviews zien die andere cameraploegen maken in het museum. Dan valt op wat een kunstmatige vorm dat eigenlijk is.

„Dat is bedoeld als grapje, om te laten zien dat er ook nog een andere manier is van films maken. Maar interviews zijn inderdaad een heel kunstmatige vorm.”

U heeft vanaf het begin films gemaakt over instellingen en instituties en daar al die jaren aan vastgehouden.

„Voor mij is dat simpelweg een manier om films te kunnen maken over allerlei soorten gedrag van mensen. Een institutie heeft daarbij dezelfde functie als het net en de lijnen op een tennisbaan: dat is de afbakening van het onderwerp. Instituties volgen ook altijd een aantal regels. Door een film te maken kun je de kloof laten zien tussen de formele regels die er zijn, en hoe mensen zich echt gedragen.”

De film gaat over manieren van kijken. Was dat vanaf het begin uw invalshoek?

„Dat was niet mijn bedoeling toen ik begon met filmen, want toen wist ik nog niet wat ik precies zou aantreffen. Maar dat bleek het voornaamste onderwerp te zijn toen ik het materiaal ging bestuderen en monteren. Ik ga er altijd vanuit dat als ik ergens maar lang genoeg rondhang, ik genoeg materiaal zal kunnen verzamelen voor een film. Maar wat dat voor film zal zijn, daar heb ik geen idee van. Ik weet niet wat de thema’s of de invalshoek van de film zullen zijn. Dat blijkt achteraf.”

Bent u dan lang bezig met monteren?

„Ik ben twaalf weken in het museum geweest en heb 178 uur film gedraaid. Ik ben zo’n zeven, acht weken bezig om dat te bekijken en te bestuderen. Dan leg ik ongeveer de helft van het materiaal terzijde. Daarna ben ik zo’n acht maanden bezig met het monteren van het materiaal waarvan ik denk dat ik het zal gebruiken. Pas als ik al die verschillende sequenties los van elkaar heb gemonteerd, begin ik na te denken over de structuur van de film. Ik kan niet nadenken over de structuur in het luchtledige, ik moet kunnen zien en horen hoe de scènes in elkaar passen. De technische kant van monteren is maar een klein onderdeel; je moet vooral zelf begrijpen wat je eigenlijk ziet en hoort als je naar de beelden kijkt. Pas als je dat begrijpt kun je besluiten hoe de scène in de film past. Als ik zo’n acht maanden bezig ben geweest met de individuele scènes, zet ik uiteindelijk de hele film in elkaar in drie of vier dagen. Dan werk ik nog een week of zes aan details. En daarna kijk ik nog een keer naar al het materiaal, om te zien of ik niks over het hoofd heb gezien.”

De helden van de film zijn de gidsen, die de rondleidingen verzorgen.

„Ze zijn ontzettend goed. Ze hebben heel erg veel kennis van zaken en ze kunnen dat ook uitstekend verwoorden. Maar de restauratieafdeling is voor mij even fascinerend. Daar werken mensen die niet alleen heel veel praktische kennis hebben, die heel goede schilders zijn, maar die ook thuis zijn in de hele kunstgeschiedenis.”

Wilt u door geen voice-over te gebruiken de kijker ertoe aanzetten alert te blijven, en goed te kijken?

„Door niet uit te leggen, maar door te laten zien, raakt de kijker meer betrokken bij de film. Je moet als toeschouwer het gevoel krijgen dat je erbij bent. Een verteller of een interviewer plaatst de kijker juist op afstand. Mijn manier van vertellen staat dichter bij die van een romanschrijver dan van een journalist. Zoals een goede romanschrijver probeer ik een situatie te laten zien. De toeschouwer mag zelf de conclusies trekken.”