Voor, midden, achterin: de beste plek in de bioscoop

In Rotterdam zag ik een foto van de legendarische filmcritici Roger Ebert en Gene Siskel, het duo dat een kwart eeuw lang op Amerikaanse tv met ‘two thumbs up’ films kon maken – of breken. Een klein bioscoopje: de bolle Ebert zit breeduit lachend op de eerste rij, de magere Siskel somber in een blokje krabbelend achterin.

Wat suggereert dat? Wie vooraan zit, staat open, wie achteraan zit, koestert zijn reserve? Het helpt natuurlijk dat de iele Siskel lijkt op de uitgedroogde culinaire criticus uit animatiefilm Ratatouille. Maar wat is eigenlijk de beste plek in de bios?

Dat lijkt simpel. Ideaal beeld en geluid heb je op een tiental rijen recht voor het doek. Roger Ebert schreef dat zijn oogarts hem de afstand van tweemaal de breedte van het filmdoek aanraadde, bij een IMAX-scherm dus een forse 44 meter.

Zelf zit ik liefst vooraan, vaak op de eerste rij. Die voorkeur deel ik met filmgeleerde David Bordwell, die in 2011 de vele voordelen van rij één opsomde voor de criticus. Volledige absorptie in het beeld. Geen uitzicht op achterhoofden of mobieltjes. Geen gestommel of geklauter over knieën. Licht op je bloknootje. Extra beenruimte, ook handig als je wegdut. Een eenvoudige vluchtweg.

Volgens Bordwell is aan de voorste rij bij festivals soms prestige verbonden, als rond de catwalks van modehuizen. Daar toon je vastberadenheid om vermoeide ogen en stijve nek te negeren in dienst van de filmkunst: de critici van Cahiers du Cinéma waren naar verluidt vergroeid aan de eerste rij van Langlois’ Cinémathèque. De positie in de zaal kan ook een beginselverklaring zijn. Zo herinnert criticus James Wolcott zich in zijn recente memoires dat in New York de volgelingen van Andrew Sarris, de elitaire spreekbuis van de auteurstheorie, voorin zaten en de kliek van zijn nemesis Pauline Kael (‘De Paulettes’) achterin.

In gewone bioscopen geldt een andere logica. Daar volg je in een halflege zaal automatisch de sociologie die Thomas Schelling beschreef in zijn klassieker Micromotives and Macrobehaviour (1978). Schelling viel op dat bij een lezing voor honderden studenten de eerste twaalf rijen steevast leeg bleven: hij sprak tot de andere oever van een stoelenrivier. Zo gaat dat ook in bioscopen. Daar zit ik dan nog steeds vooraan, maar vlakbij de kudde. De eerste rij zou iets eenzaams of arrogants uitstralen.

Achterin zitten, dat begrijp ik niet. Je hebt thuis toch al een tv? In de bios wil je toch overrompeld worden? Maar in peilingen op internet lees ik dat collega’s zich met allerlei argumenten over de hele zaal verspreiden: achter, midden, voorin; centraal en aan de zijkant. De zijkant blijkt de favoriete plek van Roger Ebert: daar kijk je diagonaal naar het scherm, zonder storende achterhoofden. En later helemaal achterin: hij had een zwakke blaas. De beste plek bestaat niet.