Straf niet om een overtuiging

Welke boodschap heeft de Arnhemse rechtbank de publieke opinie gegeven, toen zij maandag twee mogelijke jihadstrijders vrijsprak? Vooral dat een broer hebben bij een terroristische organisatie met dezelfde orthodoxe islamitische overtuiging aan wie je spullen gaat brengen, niet betekent dat ook jij een terrorist bent of wordt. Dat het gezag dus niet te snel moet oordelen (of vervolgen) en we geen al te verreikende aannames moeten doen.

Dat in beginsel niemand veroordeeld kan worden voor zijn bedoelingen, voornemens, emoties of opvattingen. In de kern moet justitie bewijzen dat er over déze verdachten concrete, objectieve aanwijzingen bestaan dat zij dít misdrijf willen plegen. Denken en ideologie mogen daarin meewegen, maar kunnen niet op zichzelf strafbaar zijn. Dit betrof geen Syriëgangers, dit waren mógelijke Syriëgangers, die op weg ernaartoe werden aangehouden.

Ideologisch gemotiveerd waren ze zeker. Maar waartoe? Ze gingen familie opzoeken en voorzien van geld en voorraden. Ze hingen hetzelfde geloof aan, inclusief idealen. Maar dat alles vindt de rechtbank nog geen ‘terroristisch oogmerk’ en dus geen overtreding van de strafwet. Aan het oprekken van de strafwet tot potentiële helpers van strijders in verre buitenlanden is een grens.

Aldus kregen twee twintigers vrijspraak, die in augustus 2013 bij Kleef in huurauto’s vol gevechtskleding, bivakmutsen, legerbrillen, telefoontoestellen, Casio-horloges (die bij het vervaardigen van bommen te gebruiken zijn), slaapzakken en met 15 mille op zak op weg waren richting Syrië. In het vonnis klonk de terechte huiver door om te vervallen in ‘intentiestrafrecht’. Ook wel Gesinnungsstrafrecht, een erfenis uit nazitijden toen andersdenkenden alleen om die reden werden opgesloten. Louter overtuigingen mogen nooit strafbaar zijn.

De rechtbank benadrukt dat veroordelingen tot nu toe altijd verdachten betroffen die ook echt in Syrië waren geweest. Die „luid en duidelijk” aankondigden terreur te willen plegen of die over wapens of explosief materiaal beschikten. Of gewelddadige terroristische handelingen verrichtten. Dat was hier allemaal niet zo.

Het wetsartikel over ‘terroristisch oogmerk’ is daarom „moeilijk toepasbaar” op potentiële Syriëgangers. Deze verdachten droegen geen wapens, zeiden nooit dat ze zelf aanslagen wilden plegen en deden dat ook niet. Of dit oordeel in hoger beroep standhoudt, moet afgewacht worden. Maar de bescherming die de rechter de vrijheid van ideologie, van religie, van denken toestaat, spreekt zeer aan. Net als de eis dat er steeds sprake moet zijn van concreet handelen. Houd het strafrecht binnen de eigen perken.