Promoveren is straks ‘verder studeren’

In het buitenland was het er al: promotieonderwijs, waarbij een pormovendus een beurs krijgt in plaats van salaris. Goed voor de ontwikkeling, of een bezuiniging?

De campus van de Erasmus Universiteit in Rotterdam. FOTO BART MAAT / ANP

Is een promovendus een werknemer, of toch een student? Minister Jet Bussemaker (Onderwijs, PvdA) laat universiteiten de keus in het experiment met student-promovendi dat ze gisteren heeft voorgesteld. De vereniging van universiteiten VSNU ziet een jarenlange wens in vervulling gaan, het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) vindt het een slecht plan.

Vanaf 1 januari 2016 kunnen studenten een beurs van de universiteit krijgen. Het experiment geeft het hoger onderwijs een derde cyclus: bachelor, master, promotie. Nu is de helft van de naar schatting 20.000 promovendi in dienst van de universiteit, meestal als assistent in opleiding. De anderen zijn ‘buitenpromovendi’, bijvoorbeeld bij een niet aan de universiteit gelieerde bibliotheek of laboratorium, of met een beurs van een bedrijf.

De vereniging van universiteiten VSNU heeft jaren gelobbyd voor promotieonderwijs, wat in het buitenland gebruikelijk is. Enkele universiteiten probeerden de laatste jaren al promovendi te belonen met een studiebeurs in plaats van salaris. De rechter voorkwam dat in de meeste gevallen en bepaalde dat een promovendus werknemer is en loon hoort te krijgen – waar de universiteit premies over afdraagt.

Het kabinet wilde eerst wettelijk laten vastleggen dat universiteiten zelf de status kunnen bepalen van hun promovendi. Daarop volgde kritiek van de Raad van State, het hoogste adviesorgaan van de regering. Uitkomst is het experiment van acht jaar, voor maximaal 2.000 promovendi.

Het experiment is omstreden. „De ene universiteit is enthousiaster dan de andere”, zegt VSNU-voorzitter Karl Dittrich. „We verwachten nu dat zo’n tien universiteiten zullen deelnemen, dus dat is goed.”

De promovendi zijn kritisch. „Dit is niets meer dan een bezuinigingsmaatregel”, vindt PNN-voorzitter Victor de Graaff. „Men kiest voor een extra paar handjes, in plaats van een extra paar hersens. Promovendi dragen volledig bij aan de output van de universiteit, met onderzoek, onderwijs en valorisatie van kennis. Toch willen ze van volwaardige medewerkers studenten maken, zodat ze meer promovendi krijgen voor hetzelfde budget.”

Dat laatste lijkt ook de voornaamste vrees van Bussemaker. De minister schrijft met nadruk dat ze tussentijds experimenten kan stopzetten als universiteiten de proef aangrijpen om kosten te besparen.

De student-promovendus krijgt van de universiteit een beurs die gelijk is aan het netto salaris van de assistent in opleiding. De Graaff: „Dat klinkt prettig, maar je moet wel zelf zorg dragen voor je ziekte- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen en pensioen.”

Ruimte voor lesgeven

Strikt genomen hoeft de student-promovendus geen onderwijstaken te vervullen in ruil voor zijn beurs, en kan dus sneller promoveren – Bussemaker verwacht in vier jaar. Dittrich zegt dat de plannen wel ruimte bieden voor bijvoorbeeld lesgeven. „Het past bij de ontwikkeling van promovendi.”

Onderzoekers van universiteiten vrezen dat de kwaliteit van promoties zal dalen, omdat promovendi onder financiële druk staan. De Graaff denkt dat de beste studenten eerder voor het bedrijfsleven zullen kiezen dan voor promotie. „Een verschil van zeker 1.000 euro bruto per maand met minder risico’s voor jezelf, dat voel je wel als het je eerste baan is.”

Het is een argument dat door Dittrich wordt weggewuifd. „Mensen die promoveren zijn over het algemeen zeer sterk gemotiveerd. Ik denk dat zij op een leeftijd van 23, 24 jaar niet alleen voor geld zullen kiezen.”

Dittrich hoopt op drie effecten: meer promovendi, meer vrijheid van onderzoek omdat studenten niet gebonden zijn aan te kiezen uit vacante thema’s en onderzoeksmallen, en een betere voorbereiding van promovendi op de arbeidsmarkt. De Graaff is niet overtuigd. „Dit plan leidt tot inflatie van de doctorstitel.”