Manhattan als hoofdprijs in ‘Fun City’

Het rotte New York van de jaren zeventig en tachtig was het decor van talloze filmklassiekers. Tijd voor een filmisch herbezoek.

‘Waarom wil je dit eigenlijk”, vraagt de vertrouwensman van ondernemer in stookolie Abel Morales in A Most Violent Year. Die vraag wordt nooit beantwoord, maar is al te zichtbaar vanaf het opslagterrein aan East River dat Morales wil kopen, een deal die hem op de rand van de afgrond brengt. De skyline van Manhattan, dat is de hoofdprijs. Respect, rijkdom, macht, een plekje in één van die torens.

Hetzelfde visioen van Manhattan inspireerde in 1924 de Duitse regisseur Fritz Lang tot de sf-klassieker Metropolis. „Een luxueus decor, ontworpen om te verbazen, af te leiden, te hypnotiseren”, schreef Lang later. Maar nieuwkomers als Morales zijn daar niet zomaar welkom. Zij moeten zich eerst door een corrupt doolhof van achterkamertjes, afspraken, gangen en schaduwen worstelen.

A Most Violent Year speelt zich af in 1981: een jaar dat zelfs Manhattan niet meer zo glamoureus oogt. New York lijkt in onstuitbaar verval: een recordaantal moorden, crack in opkomst, een failliet stadsbestuur, een blanke vlucht naar de buitenwijken, oude arrangementen tussen politiek, zakenleven en maffia die bezwijken. De hoogtijdagen van ‘Fun City’, de sarcastische bijnaam die columnist Dick Schaap New York gaf. Vrij naar John V. Lindsay, burgemeester van New York van 1966 tot 1974, die tijdens een transportstaking zijn vastgelopen stad „fun and exciting” noemde. Diezelfde Lindsay tekende een verordening die films opnemen in New York eenvoudig en goedkoop maakte. Dat heeft hij geweten: New York werd in de jaren zeventig het favoriete decor van het nieuwe Hollywood, en dat leverde geen vleiende stadsportretten op.

In die jaren figureerde New York vooral als symbool van Amerikaans verval: een moreel bankroete stad in de greep van de maffia (The Godfather, Mean Streets), corruptie (Serpico), bendegeweld (The Warriors) spirituele malaise (Taxi Driver), drugs (The Panic in Needle Park, The French Connection), seksuele experimenten (Dog Day Afternoon, Cruising) én etnisch geweld (blaxploitationfilms). Een incidentele ode als Woody Allens Manhattan voorkwam niet dat de stad als aflopende zaak werd ervaren. In sf-film Escape from New York (1981) werd het een open gevangenis met een heel hoog hek eromheen.

Veertig jaar later is Manhattan door gentrificatie en ‘zero tolerance’ een glossy glanzend Disneyland. Op ‘Fun City’ kan je als filmmaker met enige nostalgie terugkijken. Gritty is het steekwoord: vuig, gevaarlijk maar vitaal. Want dat New York was ook de stad van Saturday Night Fever en Fame, van Andy Warhol, disco, punk en hiphop, beseffen we nu. En van al die filmklassiekers.

Een interessante periode om naar terug te keren, al is het maar, zo zei regisseur Paul Thomas Anderson onlangs, omdat iedereen toen al postmodern was, maar ook kettingrookte en geen mobieltjes had. Om gritty New York te reconstrueren, moet je wel wat doen: Guillaume Canet strooide bij de opnames van zijn misdaaddrama Blood Ties – dat zich afspeelt in 1975 – dagelijks talloze zakken zwerfvuil over zijn filmset uit. Er is iets verloren gegaan.