Kapitalisme dat je ziel verwoest

De 41-jarige J.C. Chandor werd met een zilveren lepel in de mond geboren. En is daarom misschien zo’n interessante criticus van het kapitalisme.

Hij is een van de grootste talenten van de Amerikaanse cinema, J.C. Chandor (41). Zijn uitgebeende en compromisloze films worden bevolkt door rijpe, competente mannen op een kantelpunt. Een zakenbank de nacht vóór de kredietcrisis in Margin Call (2011). Robert Redford als stoïcijnse zeezeiler die in All Is Lost (2013) ontdekt dat je ook gewoon pech kan hebben. En in A Most Violent Year Abel Morales, een immigrant die zijn stookoliehandel in het ruige New York van 1981 naar een make or break-moment navigeert. Ook zijn idealen staan op het spel: red je het wel als man van eer die wil slagen door eerlijk, hard werk, strategisch inzicht en een vaderlijke bejegening van personeel? Na een serie overvallen op zijn tankwagens en een dagvaarding wankelt hij op het randje.

Chandor is een schrijver/regisseur met een heel eigen stem: een filmauteur. Toch wordt zijn oeuvre tot dusver over het hoofd gezien bij Oscarnominaties. Eerder kreeg hij twee nominaties voor script en geluidsmontage, bij A Most Violent Year staat hij met lege handen. Mogelijk omdat hij niet levert wat The Academy wenst: hoop. In survivalfilm All Is Lost lijkt de redding op het nippertje slechts een wensdroom, in andere films dwalen kapitalistische helden – zakenbankiers, ondernemers – door een doolhof met slechts twee uitgangen: verlies of corruptie. Zo werkt Amerika, lijkt Chandor te zeggen. Verkoop je ziel aan de duivel en je slaagt. Maar zulke zeges zijn altijd bitter.

Zilveren lepel

Dat is opmerkelijk, of juist niet, want J.C. (Jeffrey) Chandor werd geboren met een zilveren lepel in zijn mond. Zijn vader was zakenbankier op Wall Street, bij Merrill Lynch, hijzelf groeide op in een paleis in Basket Ridge, New Jersey, waar moeder Mary museumcurator was. Echtgenote Cameron Goodyear, telg uit het autobandengeslacht, ontmoette Chandor al op zijn veertiende in Newport Bay, waar beide gezinnen buitenhuizen en zeilboten hadden: hij vertelde haar toen over het expatleven in Londen, waar zijn pa drie jaar in The City werkte. Jaren later ontmoetten ze elkaar weer: volgens de trouwaankondiging in The New York Observer vroeg hij Cameron ten huwelijk door een ring met forse diamant op de route van hun wandeltocht in Costa Rica te verstoppen. Na het huwelijk betrok het koppel een startersappartementje van 225 vierkante meter aan 2nd Avenue, hartje Manhattan, waar Chandor carrière maakte als regisseur van commercials.

Chandor liefhebberde vanaf 2005 ook met vastgoed: met een paar vrienden tikte hij een bedrijfsgebouw in de hippe wijk Tribeca op de kop om er een luxe wooncomplex van te maken. Een jaar voor de kredietcrisis fluisterde een bevriende zakenbankier hem in om uit het project te stappen nu het nog kon. Chandor hield er een mooie winst aan over, maar ging na de crash nadenken. Hoe moet het zijn om met die voorkennis rond te lopen en je cliënten toch te adviseren te kopen? Zo ontstond zijn script voor Margin Call. Kevin Spacey raakte geïnteresseerd, via het zwaan-kleef-aan-principe volgden Jeremy Irons, Stanley Tucci, Demi Moore en Paul Bettany: een verbazingwekkende cast voor een debuterend regisseur.

Zondeval

In Margin Call besluit de ene na de andere laag bankiers eigenwaarde en vrienden op te offeren voor behoud van geld en levensstijl. Een morele zondeval die extra deprimerend is omdat het geweten steeds opnieuw verliest: het is alsof je een rij dominosteentjes ziet omvallen. Sterker nog: voor Chandor is CEO Jeremy Irons – een lispelend, amoreel reptiel – de held. En dus niet Kevin Spacey, de met zijn geweten worstelende baas van de werkvloer Sam Rogers. „Niet tegen die arme Kevin zeggen”, monkelde Chandor in een interview. „Wij wilden dat hij zich de held waande.” Al had Sam Rogers twee jaar geleden gelijk toen hij vond dat de bank te veel risico nam, in de nacht van Margin Call eisen de brute wetten van het kapitalisme dat de bank het verlies afwentelt op klanten. Opgebouwd vertrouwen is werkkapitaal dat nu ingezet moet worden, de CEO doet waarvoor de aandeelhouders hem inhuurden. Anders gaat de bank Lehman Brothers achterna. En ach, vergoelijkte Chandor: het zijn geen omaatjes uit Lutjebroek die ze bezwendelen, maar andere haaien.

Het klinkt als het gevoelloze sociaal-darwinisme dat je bij fanatieke – en rijke – neoliberalen aantreft. Maar bij Chandor ontbreekt de Ayn Rand-achtige ondernemer als supermens. Zijn films zijn zo troosteloos omdat kapitalisme zich niet laat combineren met een menselijke moraal: niet in de torens van Manhattan anno 2008 in Margin Call, ook niet in de krochten van de Bronx in 1981 in A Most Violent Year. Daar heb je scherpe nagels nodig en zijn eer, spelregels en gentlemen’s agreements hooguit nuttig als marketing. In de jungle overleven alleen beesten.

Je kan de overlevingsstrijd van Abel Morales zien als groeiend zelfinzicht. Hoor hem vertellen dat zijn Standard Oil groot werd door kwaliteit en service. En hem dan in één adem zijn verkopers uitleggen hoe ze klanten moeten misleiden. Net iets langer in hun ogen kijken dan comfortabel is: dat suggereert eerlijkheid en zelfvertrouwen. Als ze iets te drinken aanbieden, altijd het sjieke drankje nemen: dat straalt klasse uit.

Al ligt de metafoor van bloed en olie er in de finale van A Most Violent Year wat dik bovenop, tegen die tijd is Morales al net zo pathetisch als Kevin Spacey die in Margin Call na afloop van de slachting een gat in zijn eigen tuin graaft zodat hij in elk geval iets substantieels schept. Morales was altijd „zo eerlijk mogelijk”. Koos „de meest rechte weg”. Het is peptalk van een holle man.