Column

Collega’s die stinken: wat doen we ermee?

Wekelijks geeft Japke-d. Bouma onmisbare tips voor op kantoor.

Meer tips? Volg @japked op Twitter

Iemand ruiken zou een keuze moeten zijn, schreef ooit een groot denker op Twitter. En zo is het natuurlijk. Wat zou het heerlijk zijn als je je neus op kantoor aan en uit zou kunnen zetten. Helaas kun je in de kantoortuin geen kant op met stank. En er ís best veel stank op kantoor.

De windjes in de lift. De bos dooie muizen uit het straatje van de man die altijd zolang aan het woord is. Het oude zweet van de collega met wie jij nou net in een werkcel moet en, wat mij betreft de ergste: de liters verkeerde aftershave waardoor je de hele dag kotsneigingen hebt (ook omdat de lucht je doet denken aan je eerste vriendje die altijd met zoveel spuug zoende), of het migraineparfum van je overbuurvrouw dat als een wolk van doem boven je werkplek hangt.

Hoewel. Ik vind collega’s die lékker ruiken ook niet makkelijk. Dan moet je telkens over ze heen buigen om iets op hun scherm aan te wijzen en dan valt het dus op met die snuifgeluiden. Of je moet almaar keihard om ze lachen zodat je je hoofd in hun nek kunt leggen. Ik ben ook best veel tijd kwijt met het loeren naar collega’s die lekker ruiken of ze al met de lift gaan zodat ik er dan nog net op tijd bij kan glippen.

Maar ik dwaal af. Collega’s die stinken, dáár hadden we het over. Allereerst: collega’s die stinken zijn natuurlijk niet alleen maar lastig. Je weet bijvoorbeeld altijd precies wanneer ze er zijn en wanneer niet. Ik vind dat handig. Ook vind ik: sommige mensen hóren te stinken, dat zit in de functieomschrijving. Aardrijkskundeleraren bijvoorbeeld. Of de man met het polyester pak op de dertiende verdieping die over de privékilometerdeclaraties gaat. Ik zelf stink natuurlijk niet. Vraag het gerust na.

Dat gezegd hebbende: een stinkende collega is verder altijd heel erg. En subtiele hints werken niet. Die worden óf als grap opgevat, of ze eindigen in kwaaie koppen en vaak nog meer stank door de stress en de frustratie.

Daarom mijn advies: geef stinkers een eigen vleugel, óf zeg het gewoon, hard en bot. En dan niet tegen een groepje waar de stinker in zit zoals een collega van me ooit deed toen ze een vergaderruimte binnenliep en riep: „Jezus! Het lijkt hier wel Artis!!!” Stinkers weten niet dat ze stinken, dus dat helpt niet. Wat wél helpt: over de zaal schreeuwen: „Jezus Willem, ik ruik je hier! Wat meur je man! Ga even naar huis om te douchen.” Maar ja, wie durft dat.

Wat je kunt doen is collega’s die met pensioen gaan of ontslagen worden even een rondje langs de stinkers te laten maken om ze mee te nemen in de wondere wereld van de persoonlijke hygiëne. Of je vraagt een lompe collega die toch al vaste verkering heeft. Of je laat het de stagiair opknappen.

Maar het beste werkt wat we sinds kort in mijn bedrijf doen: gezamenlijk douchen. Dat scheelt ook weer tijd thuis, schept een band en bevrijdt mensen van schroom ten opzichte van leidinggevenden. Mensen gaan er bovendien veel vaker door naar de sportschool om goed voor de dag te kunnen komen, en het stimuleert om jonge, strakke collega’s in dienst te nemen. Bij ons op kantoor hebben we sindsdien geen stinkers meer.