Ik ben geen ding en heb dus ook rechten

Een rechter in Buenos Aires oordeelde dat een oerang-oetan geen ding is, maar een ‘niet menselijk persoon’. Is dit het begin van een nieuwe trend waarin dieren steeds meer menselijke rechten krijgen, vraagt Ted du Bois zich af.

foto afp

In onze samenleving hebben dieren een vrij dubieuze status. We houden van onze huisdieren, verafschuwen dierenmishandeling en zijn massaal tegen bont. Tegelijkertijd staan we het toe dat er twintig kippen per vierkante meter worden gehouden, gooien we de mannelijke 50 procent van de geboren kuikens zonder pardon in de versnipperaar en pretenderen we echte rashonden te creëren wanneer we onze ‘beste vriend’ doelbewust opzadelen met te kleine schedels, afgestompte neuzen en chronische botproblemen.

Halverwege december deed het gerechtshof in Buenos Aires een opmerkelijke uitspraak over de in gevangenschap levende orang-oetan Sandra. Volgens het hof is een orang-oetan door de hoge mate van intelligentie en sociale vaardigheden geen ding zoals andere dieren, maar een ‘niet-menselijke persoon’. Sandra moet dus per direct worden vrijgelaten. Is dit het begin van een nieuwe trend waarin dieren steeds meer menselijke rechten krijgen?

De zaak van Sandra is uitermate interessant. Zoals dat vaak gaat met pionierende uitspraken, kan het zomaar het startpunt zijn van een kentering. Niet alleen orang-oetans voldoen aan de gestelde criteria voor ‘niet-menselijke persoon’, andere soorten mensapen, dolfijnen of olifanten zijn ook zeer intelligent en sociaal vaardig. Als we alleen al dit selecte groepje dieren grondrechten geven, dan kunnen wetenschappelijke laboratoria die dierproeven doen het nog weleens moeilijk krijgen, om nog maar te zwijgen over dierentuinen en dolfinaria.

Daarmee lijken de eerste zaadjes te zijn geplant voor een felle en hopeloos gepolariseerde discussie à la Zwarte Piet. Wanneer dieren met een niet-menselijke persoonlijkheid grondrechten krijgen, zullen zich aan de ene kant de enthousiaste vernieuwers scharen, ofwel mensen die menen dat het niet meer van deze tijd is om dieren ongelijk te behandelen en voor het gemak even vergeten hoe cruciaal dierproeven zijn bij het ontwikkelen van nieuwe medicijnen. Aan de andere zijde verzamelen zich de benauwde conservatieven, ofwel degenen die de zoveelste traditie voor hun neus zien sneuvelen en het bezoekje aan het dolfinarium of de dierentuin claimen als nationaal recht.

Zo ver is het gelukkig nog niet en waarschijnlijk is de uitspraak over Sandra op zichzelf niet genoeg om de discussie te ontketenen. Daar zijn wij Hollanders te nuchter voor. Echter, door het voortschrijdend inzicht van de wetenschap zal het steeds moeilijker worden onze ogen te sluiten voor dit probleem. Onderzoekers zetten namelijk steeds verdere stappen in het in kaart brengen van intelligentie en sociale capaciteiten van dieren.

Honden zijn intelligenter dan we dachten

Neem bijvoorbeeld de hond. Dit veelal vrolijke en ogenschijnlijk ietwat sullige schepsel is wellicht veel intelligenter en sociaal vaardiger dan wetenschappers tot nu toe aannamen. Uit recent onderzoek gepubliceerd in het vakblad Current Biology blijkt dat honden niet alleen commando’s als geconditioneerde machines opvolgen, maar dat ze de stem van de spreker kunnen identificeren en de intonatie kunnen linken aan de achterliggende intentie. Tot die conclusie komen de onderzoekers nadat ze ontdekten dat het op verschillende manieren presenteren van bekende commando’s afwijkende reacties uitlokte bij honden. Dit wijst op een gedifferentieerde rol van de twee hersenhelften bij het verwerken van geluiden. Het is een systeem dat ook bij mensen aanwezig is en zorgt dat we de ‘kale’ betekenis van een zin kunnen onderscheiden van de onderliggende emotionele lading.

En dat geeft stof tot nadenken. Het is logisch om aan te nemen dat met meer onderzoek onze kennis van de werkelijke intelligentie en sociale vaardigheden van dieren toeneemt. Het is daarom ook niet geheel ondenkbaar dat het lijstje met ‘niet-menselijke personen’ in de toekomst moet worden uitgebreid. Nu zal men uiteindelijk wel kunnen wennen aan een chimpansee of gorilla met grondrechten, ze lijken immers best veel op mensen. Maar hoe zeer houden we vast aan het naleven van onze regels wanneer we moeten concluderen dat minder op mensen gelijkende dieren, zoals bijvoorbeeld honden, of van mijn part kippen, tot op zekere hoogte ook over een niet-menselijke persoonlijkheid beschikken?