Zo goed, daar moest de duivel wel achter zitten

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: de helden van de piano, Liszt en Chopin.

illustratie anna klevan

Stel je eens voor: je bent de beste pianist van de wereld én een van de grootste sekssymbolen ooit. Je tourt door heel Europa, vrouwen vallen flauw bij je optredens. Je wordt bedolven onder liefdesbrieven en verzoeken om haarlokken op te sturen. Omdat je graag nog wat van je lange, zwarte haar overhoudt, knip je soms een plukje af van je hond. Je bent de meest gefotografeerde man van de negentiende eeuw. Je bent als het ware Doe Maar, The Beatles en The Backstreet Boys, maar dan in je eentje.

Je bent, kortom, Franz Liszt.

Stel je dan eens voor dat je een Pools wonderkind bent. Een pianist met een grote liefde voor korte dansstukken, uit eigen land (de mazurka) en daarbuiten. Dan ga je naar Parijs, waar je doorbreekt en iedere salon platspeelt. Je doet het met schrijfster George Sand, maar ja, je sterft (vermoedelijk aan tuberculose) en bij je dood wordt je hart uit je lichaam gesneden omdat dat per se in Warschau moet worden begraven – de rest blijft achter in Parijs.

Nou, dan ben je dus de grote Frédéric Chopin.

Over die mensen moeten we het eens hebben, Chopin en Liszt. Het zijn de componisten/pianisten die na Beethoven het meest hebben betekend voor de ontwikkeling van het pianospel. Nog altijd staan hun werken centraal in het pianorepertoire.

Liszt (1811-1886), een Hongaar, was een popster nog voordat de popmuziek bestond. Hij was de pianospelende tegenhanger van Niccolò Paganini, die zo goed viool kon spelen dat werd gezegd dat hij zijn ziel moest hebben verkocht aan de duivel. Zoals Paganini dat voor de viool deed, zocht Liszt alle mogelijkheden van de piano op. Hij kon zó snel spelen en componeerde zo slim, dat, wanneer hij een concert gaf, het leek alsof er drie of vier handen aan het werk waren in plaats van twee.

En dat is nog niet alles. Liszt wordt beschouwd als de uitvinder van het recital: een concert voor in principe één uitvoerende. Wie bij zijn recitals was, kon hem over de toetsen horen razen – ook in bewerkingen van opera’s, of in symfonieën van Beethoven die hij meesterlijk naar zijn pianohanden zette.

Wie hem slechts als virtuoos en als uitvinder (ook op orkestraal gebied was hij vernieuwend) neerzet, doet hem tekort. Wie in Liszts noten graaft, vindt veel bijzonders. Zijn muziek is vaak overrompelend, weerbarstig, duister, diep. Maar ook ontroerend en zinnelijk (luister maar eens naar zijn Sonate in b-klein, waar werkelijk alles in zit). Als componist vraagt hij misschien het onmenselijke van een pianist, zijn muziek is dat allerminst.

Chopin en Liszt bewonderden elkaar, maar er was (vooral van Chopins kant) ook wat onderlinge jaloezie. De Pool (1810-1849) evenaarde bij leven niet het succes dat Liszt had, nu is Chopins muziek juist bekender. Dat komt uiteraard door de geweldige melodieën, vol hartstocht, die je nooit vergeet. En door de melancholie die hij inkapselde in heerlijke ritmes.

Iedereen kent de Grande valse brilliante (Opus 18), waar je meteen vrolijk van wordt. Of die Nocturne in Es (Opus 9, nr.2), de ontroerende Wals in As (Opus 69 nr.1) of Nocturne nr.15 in f-klein, wat een absoluut meesterwerk is.

Zoek maar op, je kent ze. Al heb je dertig jaar onder een steen geleefd. Want ook onder stenen draait iedereen Chopin.