Er is niks mis met ironie

Ironie is uit de mode. Maar een flinke dosis ironische distantie is een vereiste om afwegingen te kunnen maken en schijn, naïviteit en monomanie te kunnen doorzien, stelt Francisca Wals.

illustratie tjarko van der pol

Mijn generatie heeft het niet gemakkelijk. Ik lees dat vaak in tijdschriften en kranten. Pas nog wijdde NRC Weekend een speciaal opiniekatern geheel aan ons, geboren na circa 1980. ‘De generatie die niet klaagt’, was de titel – dat suggereert toch dat we daar alle reden toe hebben. Wij móéten zoveel, zo las ik. Onszelf ontplooien, alles uit het leven halen, en vooral niet falen.

Ik heb heel slecht nieuws voor ons, twintigers en dertigers, millennials van Nederland. Er is sinds kort nog een gebod bijgekomen: ‘Gij zult oprecht zijn’. Ironie is dood, blijft dood, en wij hebben haar vermoord. Kennelijk zijn we klaar met de grappen en grollen, de tongue-in-cheek, dat nostalgische hipstergedoe. Je engageren, écht ergens voor staan – dat is nu the thing to do.

Het streven om oprecht te zijn – in Angelsaksische landen noemen ze het New Sincerity. Dat tijdperk begon zo’n beetje met David Foster Wallace, een Amerikaanse schrijver die in 1993 met zijn pamflet E Unibus Pluram de van ironie en satire verzadigde Amerikaanse televisiecultuur bekritiseerde. Vroeger, schreef hij, tóén was ironie oké. Met de opkomst van de televisiecultuur in de jaren zestig was ze een rebels en vooruitstrevend middel om hypocrisie te doorbreken. Maar nu elke ongemakkelijke waarheid allang is ontmaskerd, is ze vervallen tot niet meer dan een lege huls, constateerde Wallace. Met als gevolg een collectieve gemoedstoestand van zelfbespottend materialisme en een grote angst voor kwetsbaarheid.

Helaas voor Wallace was hij zijn tijd ver vooruit; pas twee decennia later werd zijn essay gretig uit de luwte van ons collectieve geheugen gerukt.

How to live without irony’ kopte de opiniepagina van The New York Times eind 2012. Het stond boven een apocalyptisch aandoend stuk over zelfbewuste hipsters, met hun faux-nostalgische kleding, sarcastische socialmediagebruik en bestudeerde apathie. Het was de prelude voor een golf ironie-bashende verhalen in Amerikaanse kranten en bladen, met Wallace als verafgood achtergrondgenie.

Het mocht een jaartje duren, maar toen raakten ook de Nederlandse media in de ban van de nieuwe oprechtheid en de post-ironie. In de Volkskrant verscheen onder de kop ‘Vind ik leuk’ een stuk waarin „die lauwe saus van afstandelijkheid” in de ban werd gedaan. Instagram, internetlijstjes, Girls en blogs als Lol Dutch people – alles werd uit de kast gehaald om het failliet van het ironische tijdperk aan te tonen. Ook in de De Groene Amsterdammer werd onder de titel ‘Een verlangen naar oprechtheid’ ten faveure van „pragmatisch idealisme” en “constructief engagement” gepreekt.

De boodschap die al een tijd rondspookte in columns en opinieverhalen, lijkt nu langzaam tot het alledaagse grootstedelijke geweten door te sijpelen. Zo vind je in Amsterdam-Noord sinds deze zomer Neerlands eerste verwezenlijkte horeca-utopie. Niks geen met nep-vintage ingerichte hipsterbar – een idealistisch miniparadijsje, geüpcycled, zero-waste en bijna zelfvoorzienend. De oprichters – vier van de vijf zijn dertigmin – hadden twee weken gediscussieerd of ze nou wel of geen cola gingen serveren. Uiteindelijk niet, want „weet je hoeveel Afrikaanse dorpen worden verwoest om suikerplantages aan te leggen?”

Dwepen met say-no-to-racism-shirts

Geïnformeerde naïviteit, performatieve oprechtheid, pragmatisch idealisme – het eerdergenoemde Groene-stuk heeft mooie woorden voor dit soort „lokale, kleinschalige initiatieven waaruit een constructief engagement spreekt”. En zo varen we langzaam maar zeker het post-postmoderne tijdperk binnen dat New Sincerity mag heten. De jongens en de meisjes die zo-even nog met Vice, te korte spijkerbroeken en instant-nostalgische iPhone-kiekjes dweepten, staan nu met say-no-to-racism-shirts aan ‘Je suis Charlie’ te prediken.

God is dood, verkondigde Friedrich Nietzsche in 1882. „Hij blijft dood, en wij hebben Hem vermoord.” Bevrijd van een dogmatisch-religieus wereldbeeld wordt mensen niet langer met De Waarheid de mond gesnoerd, wilde hij daarmee zeggen. Een nihilistische positie, ja, maar wel van het vrolijke soort. Nietzsche maakte een onderscheid tussen twee typen mensen: de positieve en de negatieve nihilist. Die eerste ziet het wegvallen van elke vastgepinde waarheid als een bevrijding, de tweede wanhoopt de ‘dood van God’, klampt zich vast aan wat ze grijpen kan, schopt tegen het hier en nu.

Die nieuwe oprechtheid, ik geloof er niet zo in. 130 jaar van secularisering, modernisering, oorlogen en emancipatie verder leven we in een westerse wereld zonder allesomvattende ideologieën, volledig overtuigd van de eigen maakbaarheid.

Met deze lichtheid van het bestaan te leven is misschien wel de grootste uitdaging van onze tijd. In een wereld waar waarden noch normen vanzelfsprekend zijn, moeten we steeds opnieuw de boel vormgeven, beslissen wat we vandaag eens zullen gaan doen. Een flinke dosis ironische distantie is daarbij een vereiste – om afwegingen te kunnen maken, om schijn, naïviteit en monomanie te kunnen doorzien. Terugverlangen naar een tijd waarin men zich onvoorwaardelijk aan idealen overgaf, heeft dan geen enkele zin.

Tuurlijk, een 100 procent ironische wereld zou een hel op aarde zijn. Maar waarom altijd de ene doctrine vervangen door een andere? Wanneer een oprechte houding niet vanzelfsprekend maar een bewuste keuze is, vervalt ze al snel tot lifestyle, een manier om jezelf te profileren, een manifestatie van het merk ‘ikzelf’. Oprechtheid als pose, engagement van het soort dat moet worden gezien. Van elke bezochte demonstratie verschijnt op Twitter een zorgvuldig geschoten fotootje, hashtag ‘freedom’.

Nietzsche was nogal getikt, en natuurlijk is een mensenleven zonder de nodige oprechtheid en commitment verre van volmaakt – ironie moet niet té dominant worden. Maar laten we onszelf ook niet voor de gek houden met een te kwader trouw gekozen mentaliteit. Voor je het weet slaat krampachtig opgevoerde oprechtheid om in narcisme en/of dogmatisme. Want ja, ook het vliegtuig naar Syrië pakken is een vorm van engagement.