Een islamitisch gewaad in de kofferbak is niet genoeg

Welk bewijs is nodig om vermeende jihadgangers te veroordelen? Er moet een vechtintentie zijn.

De rechters in Arnhem moeten hebben geweten dat ze een opvallend vonnis wezen, toen ze gisteren twee vermeende jihadgangers vrijspraken. De rechtbank vond het zelfs nodig het vonnis toe te lichten in een videoboodschap op de website. De rechtbank weet dat een nieuwe uitspraak tegen vermeende jihadgangers op grote aandacht kan rekenen. Er is nog maar een handjevol uitspraken gewezen onder de nieuwe anti-terreurwetgeving en er zijn nog tientallen zaken in voorbereiding.

Wat is er na zeven rechterlijke uitspraken te zeggen over welk bewijs nodig is om een vermeende jihadganger te veroordelen? Voor gevechtshandelingen in Syrië is in Nederland nog niemand veroordeeld. Het Openbaar Ministerie (OM) vervolgt daar ook niet voor, waarschijnlijk omdat bewijs uit dat oorlogsgebied uitzonderlijk moeilijk te verkrijgen is. Het vervolgt tot nu toe jihadgangers voor het voorbereiden van terroristische aanslagen in het kalifaat. Dat kan dankzij een wetswijziging uit 2010, die is gebaseerd op Europese verdragsafspraken over terrorismebestrijding.

Iedereen wordt voor hetzelfde feit vervolgd: voorbereiding van terreur – of ze nou op een zolderkamer plannen smeedden voor een tocht, bommaterialen hadden ingeslagen of al in Syrië waren geweest. Het OM moet daarbij telkens twee dingen bewijzen: welk strafbaar feit voorbereid werd – moord, brandstichting, ontploffing, et cetera – en dat de verdachte daarmee een terroristische bedoeling had.

De Arnhemse zaak ging over twee mannen die in Duitsland waren gepakt in een huurauto met geld, survivalkleding, telefoons, simkaarten en islamitische gewaden. Ze waren volgens verdachte Mohamed el A. op weg naar zijn broer, die in Syrië vecht voor een strijdgroep van Al-Qaeda. Voor hem waren ook die spullen.

De rechter oordeelde dat er geen bewijs was dat de mannen strafbare feiten wilden plegen. Ze hadden geen wapens of explosieven bij zich, en hadden bijvoorbeeld ook geen bijzondere kennis opgedaan over oorlogsvoering. Dus het ‘wat’ kon niet worden bewezen. Maar ook voor het ‘waarom’ bestond volgens de rechter onvoldoende bewijs: het terroristisch oogmerk. Het stond weliswaar vast dat vooral verdachte Mohamed El A. „vanuit zijn geloofsovertuiging, vurig wenst dat er een islamitische staat zal ontstaan en vanuit die overtuiging de reis naar Syrië heeft ingezet”. Maar geloof alleen is niet genoeg. Er moet ook de bedoeling zijn om zelf aan de gewapende strijd deel te nemen of die te ondersteunen, en dat bleek hier volgens de rechter niet.

In eerdere zaken was dat anders. Daarin waren de bedoelingen van de verdachten veel duidelijker. Ze hadden bijvoorbeeld in een chat gezegd dat andere partijen in Syrië „allemaal onthoofding waard” zijn. Of verdachten hadden al explosieven gekocht, en informatie verzameld over het maken van bommen. Of ze waren al in Syrië geweest.

In de zaak tegen Maher H. was dat misschien wel het duidelijkst. De teruggekeerde Syriëganger werd in december veroordeeld door de rechtbank Den Haag. Het was onduidelijk wat hij nou precies in Syrië had gedaan, erkenden de rechters. Maar ze achtten het wel bewezen dat hij had deelgenomen aan de gewapende strijd, of die op zijn minst had ondersteund. Hij poseerde op foto’s met een kalasjnikov en zei in een sms-bericht: „We hadden ons vannacht teruggetrokken om tactische redenen.” Dat H. in Syrië streed, betekent dat alles wat hij deed om daar te komen strafbare voorbereiding was.

Het kan ingewikkelder worden als een verdachte al voor of tijdens zijn vertrek naar Syrië wordt gearresteerd. Want hoe kun je dan bewijzen dat hij daar terroristische handelingen zou gaan verrichten?

Bij Omar H., de enige verdachte die tot nu toe in hoger beroep terechtstond, had het OM het nog relatief makkelijk. De Amsterdammer bezocht jihadsites, had zich laten informeren over mogelijke routes naar Syrië en de politie vond in zijn huis een kilo aluminiumpoeder, een lont en een gasflesje. Voorbereiding van brandstichting of ontploffing is daarmee bewezen, oordeelde het Haagse gerechtshof twee weken geleden. De jihadsites en reisvoorbereidingen bewezen de terroristische bedoeling.

Maar waar bij H. zijn bedoelingen redelijk duidelijk waren, was dat voor de twee Arnhemse verdachten dus anders, vond de rechter. Die wilden naar Syrië, maar verder was er weinig bekend – behalve dat er in Syrië een onoverzichtelijke strijd gaande is. Is dat genoeg om te zeggen dat ze daar waarschijnlijk aan gaan meedoen? Voor die gevallen schiet de wet tekort, suggereert de rechter in het vonnis.

Het OM kondigde gisteren hoger beroep aan. Het actief helpen en steunen van iemand – de broer – van wie vaststaat dat hij vecht in Syrië, is volgens het OM ook strafbaar als het voorbereiden of ondersteunen van terroristische misdrijven.