De bekendste afbeelding van Bach

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Op een mistige februaridag kom ik een bekende tegen wier man kortgeleden is overleden. Ik nodig haar uit voor een kopje thee bij mij thuis. „Je kunt beter naar mijn huis komen”, zegt ze, „dan kun je Bachs portret nog zien voor het voorgoed naar Leipzig gaat.”

Bachs portret, in haar huis?

Bach poseerde slechts twee keer voor een schilder. Eén schilderij verkeert in slechte staat. Het andere, gemaakt door Elias Gottlob Haussmann in 1746, bevindt zich in uitstekende staat in Princeton.

Een oudere meneer die zichzelf voorstelt als de ‘huismanager’ laat me binnen, in een vrij gewoon huis in een vrij gewone straat. „Mevrouw is wat verlaat”, zegt hij. „Maak het jezelf vast gemakkelijk.” Nieuwsgierig kijk ik rond in deze volle kamer, die het midden houdt tussen een kerk en een bibliotheek.

De helft van de ruimte wordt ingenomen door een Holtkamp-kerkorgel. Onder een glasplaat een handgeschreven partituur met daaronder in de bekende zwierige letters: Johann Sebastian Bach. Daarnaast, op een katheder, een opengeslagen Gutenbergbijbel.

Dan sta ik oog in oog met de bekendste afbeelding van de grootste componist die de mensheid heeft voortgebracht. Ik ken het portret van de langspeelplaten die mijn vader vroeger draaide tijdens de kerkdienst, van de latere cd-hoezen en van de bustes op piano’s overal ter wereld. Bach is ten tijde van dit portret 61. Een gezette man, met een forse onderkin en een ongezond blozende huid. Hij draagt een witte bloes met mouwen die poffen bij de polsen, daarover een zwart jasje met fikse knopen. Op zijn hoofd, als een rare muts, een witte pruik. In zijn wat popperige rechterhand houdt hij een stuk bladmuziek. „Canon triplex à 6 voc.” staat erboven geschreven.

Dan komt Judith binnen, de weduwe van de zopas op honderdjarige leeftijd overleden musicoloog en filantroop Bill Scheide. Enigszins verward sloft ze door de kamer op blote voeten. Maar als ze mij voor het schilderij ziet staan, klaart ze op.

„Ah”, zegt ze, „je hebt hem al ontmoet.”

Ze nipt van de thee die de huismanager voor ons neerzet.

„Bill kocht dit schilderij 62 jaar geleden”, vertelt ze. „Het was zijn dierbaarste bezit. Onze ochtenden begonnen altijd hier, in deze kamer, met de muziek van Schubert. Bill had Schubert nodig om de rest van de dag naar Bach te kunnen luisteren.”

Ik herinner me de ontroering in de kerk tijdens de begrafenis van Bill Scheide toen Schuberts Strijkkwartet in C-groot werd gespeeld. Schubert componeerde dit stuk, dat Arthur Rubinstein de toegangspoort tot de hemel noemde, vlak voor zijn overlijden.

„Hij kijkt wel heel serieus hè”, zegt ze, met een blik op Bach, „maar hij was een zachtaardige man.” Ze gaat achter een Bösendorferpiano zitten die ik volledig over het hoofd had gezien. „Wie maakt nu zoiets liefs”, zegt ze als ze het Notenbüchlein für Anna Magdalena Bach openslaat.

Dan, terwijl ze Bist du bei mir speelt, verandert Judith in een meisje. Bach, die vanaf de muur toekijkt, is opeens niet meer de pompeuze man met vorsende blik die Haussmann van hem maakte, maar een vertederde echtgenoot die zijn veel jongere vrouw gadeslaat. Ik hoor de woorden in mijn hoofd en denk aan mijn vader die vandaag drie jaar geleden overleed. Bist du bei mir, geh ich mit Freuden zum Sterben und zu meiner Ruh.

„Het wordt tijd dat de cantor van de Thomaskirche terugkeert naar Leipzig”, zegt ze, met een blik op het schilderij. „Maar wat zal ik hem missen.”