‘Slim’ rijden? Helmond ligt op kop

Minister Schultz gaat testen op de weg met zelfrijdende auto’s faciliteren. Dat levert werk op voor Nederlandse bedrijven.

Op het dak van de Toyota Prius zijn met zuignappen draden bevestigd – als bij een hartpatiënt bij een scan. De wagen is van het Helmondse bedrijf TASS International, dat in opdracht van de Duitse autobranche een langlopend testprogramma uitvoert dat een steeds slimmere en uiteindelijk autonoom rijdende auto moet opleveren. De testauto rijdt deze middag tussen hoge kantoorgebouwen op een bedrijventerrein in de Rijswijkse Broekpolder. De draden op het autodak leiden naar ultraprecieze navigatie-elektronica.

„Met smart driving zijn we in Nederland leidend in de wereld”, zegt Gwen van Vugt zonder aarzeling. Hij is directeur van het Mobility Center van TASS International. Het bedrijf geldt niet alleen als belangrijkste centrum voor Europese certificering van auto’s en onderdelen, maar is ook koploper in ontwikkelen van testsoftware en testprogramma’s voor smart driving.

Vorige maand presenteerde minister Schultz (VVD, Infrastructuur en Milieu) een wetsvoorstel dat grootschalige testen met zelfrijdende auto’s op de openbare weg faciliteert – nu is ontheffing nodig. Ze speelt in op innovaties in de Nederlandse automotive-sector. Die doet het opmerkelijk goed. Volgens een ING-rapport boekten Nederlandse toeleveranciers in 2014 een recordomzet: 9,2 miljard euro – 59 procent groei sinds 2009.

Ontsproten aan TNO

Smart, Green, Safe is in de auto-industrie sinds enkele jaren het motto. Het Helmondse bedrijf, ontsproten aan overheidsinstelling TNO, heeft al langer ervaring met green (schonere dieselmotoren, elektrisch rijden) en safe, waarbij aan klanten ook engineering-services worden aangeboden. Voor crashproeven (en passagiersveiligheid) ontwikkelde het bedrijf virtuele testinstrumenten die wereldwijd worden toegepast en die de financiële middelen opleveren voor nieuwe activiteiten waarbij smart speerpunt is. „We breiden constant uit”, zegt sales- en marketingdirecteur Frank Litjens. Sinds 2012 verdubbelde het aantal medewerkers tot ruim 200.

De Toyota Prius (met chauffeur) in de Broekpolder – waar de softwareafdeling van TASS zit – bevat apparatuur waarmee de positie tot op de centimeter wordt bepaald. Veel nauwkeuriger dan ‘gewone’ gps. Dat is nodig om de auto slimmer te maken: tijdig remmen als verderop in een file wordt afgeremd of om de hoek een (nog onzichtbare) andere auto nadert; efficiënter weggebruik door auto’s dicht op elkaar te laten rijden; tijdig uitwijken; veilig invoegen; in een ‘treintje’ rijden van trucks (brandstofbesparing).

De testen, waarbij ook auto’s met radar en laser worden ingezet om objecten en andere weggebruikers te detecteren, leveren enorm veel data op. Want daar draait het om: het genereren en samenvoegen van data om hard- en software te perfectioneren.

Bij de test met de Toyota Prius wordt op een pc de afwijking van de ‘gewone’ gps-positie ten opzichte van de ‘echte’ positie geregistreerd. Die afwijking varieert afhankelijk van de omgeving – onder viaducten of bij hoge gebouwen is de afwijking groter. Daarom ook volgen nog testen in bosrijke en bergachtige omgevingen.

Wereldwijde interesse

Het Helmondse bedrijf bouwde een simulatiemodel (PreScan) dat virtueel testen en visualisatie mogelijk maakt van rijden onder wisselende condities (infrastructuur, weer, medeweggebruikers, lichteffecten et cetera). PreScan is nu een commercieel product.

In de autowereld heet smart driving intussen cooperative driving. Want het gaat om slimme verkeerssystemen: voertuigen die met elkaar én met de omgeving communiceren. De technologie is deels al beschikbaar. Er kan dus geld mee worden verdiend. „Autonoom rijden, waaraan bijvoorbeeld Google werkt, is nog twintig jaar weg”, zegt Van Vugt van TASS.

In 2012 nam het bedrijf de communicatie-infrastructuur van TNO over, die over 8 kilometer langs de A270 (Helmond-Eindhoven) is aangelegd. In het Mobility Center in Helmond is een ‘controlekamer’ gebouwd, waar alle data worden vastgelegd van testen op dit traject.

Volgens Van Vugt is er wereldwijde interesse voor de Nederlandse expertise in cooperative driving. En niet alleen in die van zijn eigen bedrijf. Overdreven optimisme? Onlangs werd het Helmondse bedrijf ingehuurd door Detroit, de thuisbasis van Chrysler, Ford, en GM. Ook China meldt zich. Niet gek, gezien de groeiende milieu- en fileproblemen daar. Salesdirecteur Litjens toont een e-mail waaruit blijkt dat het China Automotive Engineering Research Institute (staatsinstelling) met TASS wil samenwerken.

Open innovatie

Volgens Litjens worden Nederlandse toeleveranciers „meegezogen” in de vlucht die cooperative driving neemt: hun afzet stijgt. Bedrijven als NXP (ITS-apparatuur: Intelligente Transport Systemen), Imtech (stedelijk verkeersbeheer) en TomTom (navigatie) doen daarin ook goede zaken.

Van Vugt, opgeleid aan de TU Eindhoven, heeft wel een verklaring voor de Nederlandse voorsprong. „Door de complexe omgeving van een dichtbevolkt en -bebouwd gebied is de prikkel om de technologie te ontwikkelen hier groter”, zegt hij. Bovendien is het zó complex, dat vooruitgang alleen mogelijk is door open innovatie, waarbij vele partners samenwerken. „En daar zijn we goed in.”

Sinds 2012 werken een twintigtal bedrijven (waaronder TASS International, DAF, NXP, Imtech, TomTom, Siemens, Arcadis), kennisinstellingen (TNO, TU’s), wegbeheerders en overheid samen in de Dutch Integrated Testsite for Cooperative Mobility (DITCM). Waar dit allemaal toe leidt? „Een exportpakket voor de metropolen in de wereld”, denkt Van Vugt.