Column

Dichters

Let Love Storm. Zo heet de avond die ik aan elkaar praat. In mijn aantekeningen staat: ‘Let Love Stom’. Op het podium zeg ik het gelukkig goed. Dichters en jazzmuzikanten zoeken samen naar vervoering, met woorden en noten. Honderdzestig man publiek klapt en lacht. Wanneer rot Jules Deelder het podium beklimt, gaan de stoelen aan de kant. Er wordt gedanst. Armen belanden in nekken, vijftigplussers kussen .

F. (30) en zijn vriendin (28) steken daar jong bij af. Ze zijn al tien jaar samen. „Soms vind ik hem heel lelijk, maar soms is hij woest aantrekkelijk.” „Soms vind ik haar geniaal, maar soms is ze gewoon oké genoeg.” Ze kijken elkaar glimlachend aan. „We zijn elkaars rode draad” – in een leven vol soms.

Op de dansvloer pakt R. zijn vrouw L. vast. Samen hebben ze een kapperszaak.

Ze ontmoetten elkaar op een uitgaansavond. Hij vroeg de ‘buitensmijter’ om haar een briefje te geven met de boodschap dat hij in een kroeg om de hoek zat. Lang hoefde hij niet te wachten.

P. luistert mee, hij is de peetvader van hun kinderen. Al vijfentwintig jaar houdt hij van dezelfde vrouw. Alleen: ze zijn slechts samen als vrienden. Vorig weekend logeerde ze platonisch bij hem. „Lepeltje lepeltje met haar is beter dan de beste seks.”

Dan J., de dichter die als treinconducteur werkt en in het weekend dj’t. Na vele vrouwen heeft hij ‘haar’ ontmoet. Hij weet het zeker. Ze bezegelden hun geluk met een tweeling.

Ik zeg dat zeker weten alleen bestaat zolang de werkelijkheid je niet terecht wijst.

Hij trekt me tegen zich aan en even denk ik dat de werkelijkheid zijn geloof nu al stuk slaat, maar met zijn andere hand hengelt hij zijn telefoon tevoorschijn en toont een foto. „Heel wat mannen knauwden hun tanden stuk op haar.” Hij wil niet pochen, maar ze is, zeg maar, een goede vangst. Haar hoofd valt weg in de tijd (03:12) op het display. Ik zie alleen twee mooie borsten en ik knik. Na drie Keyte – het lokale bier – snap ik sowieso veel.

J. schenkt me zijn dichtbundel en schrijft erin: ‘Oostende 6/02/15. Vrijstaat O., Voor Simone, dat de romanticus in ons mag overleven.’

Het is half vier, de golven ruisen en er gaan nog mensen ‘op café’. Ik ga naar mijn hotel. Iedereen is zo duidelijk bezet: er valt alleen nog bier te halen.

De volgende dag loop ik de promenade op. Het is stralend koud, de horizon vormt een mengdoek voor pastel. Op de pier werpt een visser zijn hengel ver. Ik loop tot mijn wangen rood en schraal zijn van de wind, alsof ik uren heb gekust. Uiteindelijk zakt de dag in zee, brandend nog. Morgen komt ze weer terug, betrouwbaar als een rode draad.