Column

Rusland leek soms een speelgoedland

Poetin moge van zijn land dan weer een afschrikwekkende supermacht willen maken en de Russische wapensystemen in Oost-Oekraïne zijn natuurlijk echt. Tegelijk lijkt Rusland soms een vertederend speelgoedland. Dat dacht ik zaterdagavond in het Amsterdamse poëzietheater Perdu, bij de première van de documentaire Bjeg vremeni (Vlucht van de tijd). Masha Novikova – bekend van heftige films over de oorlog in Tsjetsjenië – maakte een ontspannen portret van een gehucht aan de Volga, waar oude vrouwtjes aanstekelijk vieze liedjes zingen en een vergevorderd alcoholicus op de knoppenharmonica nog de juiste akkoorden vindt.

De meeste aanwezigen leken elkaar te kennen: een paar in Amsterdam verdwaalde Russen en verder Nederlanders die door vriendschap, studie, werk, liefde en dergelijke een band met Rusland hebben. In gemoedelijke sfeer zong het amateurkoor Saroki (Eksters) schelle volksliedjes. Het was een gezellige avond, ontspannen, gewoon.

Die gewoonheid valt mij op, omdat ik in de jaren tachtig in Rusland heb gewerkt – toen daar nog weinig gewoon aan was. In die tijd was er weinig direct contact tussen Nederland en Rusland. Je had een beetje groepstoerisme naar Rusland. Russen mochten maar zelden hun land uit, zodat je in Nederland nooit Russisch op straat hoorde. In Moskou werkte een handjevol Nederlandse zakenlieden en diplomaten – deze krant was tot 1987 de enige met een officiële correspondent. Er waren wat Nederlandse academische slavisten en Rusland-deskundigen, en Nederlanders die als dienstplichtige Russisch hadden geleerd bij de Militaire Inlichtingendienst. En dan nog wat communisten met een onvoorwaardelijk geloof in het Sovjet-socialisme, en Nederlanders die zich tot de Russische Orthodoxe Kerk hadden bekeerd.

Ik moet bekennen dat ik me in die milieus nooit zo thuis voelde. Ik ontbeerde de ideologische bevlogenheid om in het communisme te geloven, en evenzeer om mij te solidariseren met dissidenten – wat onder Rusland-kundigen vaak de norm was. Mijn werk was vreselijk interessant en ik heb het met veel plezier gedaan. Maar het leven in een dictatoriale politiestaat heeft ook zijn bedrukkende kanten. Zonder spijt heb ik na vijf jaar in Moskou de deur achter me dicht getrokken en ben ik andere dingen gaan doen.

Als gemiddelde krantenlezer volgde ik na 1987, sporadisch en op afstand, de ontwikkeling van Rusland tot een vrijer, en in zekere zin ‘normaler’ land. Waar, om eens wat te noemen, de mensen niet meer bang zijn als ze op straat een buitenlander tegenkomen, en een ideologische schijnwerkelijkheid niet meer de enige toegelaten waarheid is in de media.

Tot vorig jaar, toen de opstand in Oekraïne mijn aandacht trok. Sindsdien kijk ik met stijgende verbijstering naar televisie die Russen haat tegen de buitenwereld bijbrengt, lees ik over het goedpraten van de ergste terreur uit het verleden, zie ik afzichtelijk militaristisch vertoon, lees ik over het wurgen van fatsoenlijke media. Het lijkt allemaal doortrapter en fanatieker dan in de jaren tachtig. Hoe stom: ik heb de decennia waarin Rusland gewoon een aardig land was, gemist. Gelukkig was er nog dit avondje in Perdu.