‘Iedereen begint over Gustafson’

Zweedse schaatser met Nederlandse roots probeert in alle eenzaamheid de top te bereiken.

Nils van der Poel neemt deze week deel aan de WK afstanden in Heerenveen. „Schaatsen voor 13.000 toeschouwers. Echt geweldig.” Foto Hollandse Hoogte

Half december was het, een koude zaterdagochtend in een leeg Thialf, toen Nils van der Poel de schaatswereld verbaasde. In een toptijd van 6.23,40 won hij de vijf kilometer in de B-groep bij de wereldbeker. Achttien jaar jong, afkomstig van een 250-meterbaantje in Zweden. Ter vergelijking: zelfs Sven Kramer reed op dezelfde leeftijd nooit onder de 6.24. „Het was een schitterend moment”, kijkt de kleinzoon van een Nederlandse opa terug. „Ik reed de zevende tijd overall, wereldtop.” Maar wie zag het? „In Zweden was er geen enkele aandacht, alleen een berichtje in de plaatselijke krant. Het stadion was leeg. Maar ik weet zelf wel waarvoor ik zo hard werk.”

Onvergetelijke titeltoernooien in het Ullevi van Gothenburg (Henk van der Grift, Kees Verkerk) of in Eskilstuna (Hein Vergeer). Grote schaatsidolen als Jonny Nilsson, Göran Claeson of Tomas Gustafson, in 1984 en 1988 in totaal drie keer olympisch kampioen. Maar op een incidenteel succesje op de ploegachtervolging rond Johan Röjler na was het Zweedse schaatsen dood en begraven. Tot in het stadje Trollhättan, tachtig kilometer boven Gothenburg, vanuit het niets ineens een nieuwe belofte opstaat. Gustafson, Röjler, Van der Poel? „Dat zou een mooi rijtje zijn”, zegt de jonge wonderstayer. Later deze week debuteert hij op de WK afstanden in Thialf bij de allerbeste schaatsers op de vijf kilometer. „Schaatsen voor 13.000 toeschouwers. Echt geweldig.”

Hevige buikpijn

Torenhoge verwachtingen heeft Van der Poel niet direct. Na zijn verbazingwekkende 6.23 in december werd hij vlak voor het EK in Tsjeljabinsk ziek. „Hevige buikpijn, overgeven, a lot of shit”, vertelt hij in Hamar, waar hij afgelopen weekeinde als laatste eindigde bij zijn debuut in de A-groep. Hoe zwaar is de weg naar de top voor een jonge schaatser zonder veel geld of (medische) begeleiding. „Het was koud in Rusland, ik kon er niet eten. Toen ik thuis kwam, werd ik weer ziek. Koorts, hoofdpijn. Sindsdien weet ik niet waar ik sta. Per dag verandert mijn gevoel. Maar goed, tegenslag houdt het vuur brandend.”

Acht was Van der Poel toen hij bij Gripen Trollhättan begon met bandy, een in Scandinavië en Rusland populaire voorloper van ijshockey. Hij bleek beter met de schaats dan met de stick. „Ik had aanleg voor de beweging, het ging vanzelf. Er zijn niet veel jonge schaatsers in Zweden, maar er is wel wat competitie. In Trollhättan kun je op de 250-meterbaan altijd schaatsen met goede temperaturen.” Al valt trainen niet mee. „Na twee slagen op het rechte eind ben je al bij de volgende bocht. Maar in Zweden hebben we geen 400-meterbanen. Als we een periode thuis moeten trainen, word ik meteen een slechtere schaatser.”

Eric Heiden

Schaatscultuur in Zweden? „Nauwelijks. Je hebt wel wat marathons op natuurijs zoals de Vikingarännet, daar doen tienduizenden toerschaatsers aan mee. Maar dat is een dagje uit, leuk, maar geen racen.” Het rijke verleden zegt Van der Poel weinig. „Ik kende geen namen van kampioenen, ik heb ze geleerd. Als je vertelt dat je schaatser bent, begint iedereen over Gustafson. Hem heb ik hooguit twee keer gesproken. Deze sport is zo veranderd. Vroeger ging je naar Nederland of Noorwegen. Ik geloof dat Gustafson naar Amerika ging om te trainen met Eric Heiden. Zo is het niet meer. Je hebt nu concurrerende teams, iedereen gaat zijn eigen weg.”

De weg naar de top is eenzaam voor de jonge Zweed. „Je hebt geen voorbeelden, weet niet hoe anderen het doen, hoe je het zelf moet aanpakken. Dat maakt het lastig als je uit een klein schaatsland komt. Ik doe dit jaar eindexamen, straks kies ik ervoor mijn leven geheel in dienst te stellen van het schaatsen. Dan neem je risico. Het is best zwaar om zo extreem te leven. Maar uiteindelijk wint toch degene die het meest toegewijd is. Als je er echt alles voor over hebt, moet je een eind kunnen komen.”

Van der Poel – vorig jaar debutant op EK en WK allround en winnaar van de vijf kilometer bij de WK junioren – traint met steun van de internationale schaatsunie ISU in een groep van vijftien Zweden, Finnen en Denen. In de zomer mag hij soms meedoen met de Noren, in de herfst is de ijsbaan van Berlijn zijn thuis. Weinig financiële middelen? „Mijn trainer (Mattias Hadders) weet genoeg van schaatsen. We zetten gewoon stappen en als het fout gaat, proberen we iets anders. We kunnen genoeg trainingskampen doen. Je hebt geen miljoen euro nodig. Ik zeg geen nee tegen een Ferrari, maar in een Volvo kun je ook uitstekend rijden.”

Twee werelden

Hulp van Nederlandse toppers, zoals Bart Veldkamp of Gerard Kemkers die in het verleden wel gaven aan een latere olympisch kampioen als Derek Parra, krijgt hij niet. „Ik spreek de Nederlanders bijna nooit. Allen Koen Verweij zeg ik gedag, sinds het verhaal ging dat hij een Zweedse achtergrond zou hebben. Verder is er geen contact. Het zijn twee werelden: de Nederlanders en de rest.”

De dominantie van Nederland in het schaatsen? „It sucks. Het is ook niet goed voor de sport. Bij de Olympische Spelen is de enige onzekerheid is welke Nederlander zal winnen. Triest toch? In andere landen kijken ze niet meer.”

Schaatsen voor een Nederlandse commerciële ploeg? „Je kunt beter goede mensen om je heen hebben, dan goede schaatsers. Ik bedoel: als ik bij een ploeg als Stressless (de internationale ploeg van Veldkamp) zou trainen, zou ik daar veel aan hebben? Als ik dat doe, word ik gebruikt als werkpaard voor de betere schaatsers. Ze zullen mij als eerste opbranden. Ik zal daar op termijn misschien sterker van worden, maar ben er niet zeker van dat het beter is dan de weg die ik nu ga. Bovendien: als je nu succes haalt, is het echt iets van jezelf. Dat is des te beter voor mijn motivatie.”