Het eb en vloed van de woordenschat

Een taal die door veel mensen wordt gesproken krijgt er gemakkelijk woorden bij. En als er weinig sprekers zijn vallen woorden makkelijk weg.

Zelfplagiaat, vallei-orgasme en stemfie: nieuwe woorden verschijnen voortdurend in talen. Maar ze verdwijnen ook. Wie kent nog maankalf, fezikker of knuren? (Misgeboorte, fluisteraar, luieren.) Volgens taalkundigen onder leiding van Simon Greenhill van Australian National University in Canberra heeft het aantal sprekers van de talen invloed op die eb en vloed van de woordenschat (PNAS, early edition online). Talen met weinig sprekers verliezen sneller woorden, en talen met veel sprekers krijgen er juist gemakkelijker woorden bij, zo blijkt uit een analyse van Polynesische talen.

Historisch taalkundigen weten al lang dat de doorloopsnelheid van woorden kan variëren. Talen als IJslands of Fins zijn de afgelopen duizend jaar minder veranderd dan Engels of Frans.

Vermoedelijk spelen allerlei factoren een rol: contacten met andere talen, het aantal tweedetaalsprekers, en dus: het aantal sprekers van de taal. De onderzoekers bekeken de twee processen apart: het verdwijnen van woorden en het verschijnen van nieuwe woorden. Volgens Greenhill en collega’s zijn de Polynesische talen daarvoor ideaal. Talen als Kapingamarangi en Rarotonga, Samoaans en Tahitiaans worden gesproken op de eilanden in de Stille Oceaan. Ze ontstonden de afgelopen millennia doordat kleine groepjes eilandbewoners per boot nieuwe koloniseerden, waarna hun taal zich onafhankelijk ontwikkelde. Met hulp van historisch taalkundig en archeologisch onderzoek is de Polynesische stamboom inmiddels tamelijk goed gereconstrueerd, en ook in databases vastgelegd.

Greenhill gebruikte de basiswoorden uit de Austronesian Basic Vocabulary Database. Zijn redenering: als een taal een woord heeft verloren, kun je dat zien doordat een nauwe verwant van die taal een variant van dat woord nog wél heeft, net als andere talen verderop in de stamboom. Maar als woord nieuw is verschenen, ontbreekt het in de zustertaal en verder ook elders in de stamboom (duidelijke leenwoorden waren uitgesloten).

Ook verzamelden ze informatie over sprekersaantallen. Kleine talen verliezen sneller woorden, zo bleek uit de analyse, terwijl grote juist sneller nieuwe woorden ontwikkelen. Netto bleek de doorloopsnelheid van woorden onafhankelijk van het aantal sprekers.

Vergelijkbare effecten zijn ook bekend uit de evolutiebiologie: hoe meer leden een diersoort heeft, hoe groter de kans dat een van hen een nieuwe innovatie doet die zich over de soort verspreidt. Maar hoe minder exemplaren, hoe groter de kans dat een eigenschap uitsterft doordat toevallig één exemplaar sterft.