Excusez le moi

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Door

Op historiek.net, een interessante website die actualiteit en geschiedenis aan elkaar koppelt, verscheen vorige week een boeiend portret van Joan Derk van der Capellen tot den Pol, een beroemde pamflettist uit de 18de eeuw.

Kop boven dit stuk: „Je suis Joan Derk”.

Toen duidelijk was geworden waarom het NOS Journaal onlangs op zwart ging en dat het drama te overzien was, verschenen er plaatjes op internet met de tekst: „Je suis NOS” en „Je suis NOS Journaal”.

Intussen wemelt het op internet van varianten op de leus „Je suis Charlie”. Vaak gaat het om (plaats)naamvarianten, zoals „Je suis Wiebe Pannekoek” en „Je suis Paris”.

Net als het origineel tellen veel varianten drie woorden. „Je suis confused”, „Je suis bezorgd”, „Je suis them”, enzovoorts. Maar je vindt ook langere varianten, zoals „Je suis fed up with humanity” en „Je suis dialogue, tolerance and coexistence”.

Het interessante van dergelijke varianten is dat hun betekenis al snel afwijkt van die van het origineel. „Je suis Charlie” was vanzelfsprekend bedoeld als uiting van solidariteit. Wij voelen mee met de slachtoffers en de zaak waar zij voor staan. Het heeft iets aanmatigends om je zo te vereenzelvigen met – in dit geval – slachtoffers van een brute moord, maar door z’n beknoptheid en directheid slaat zo’n kreet makkelijk aan. Varianten als „Je suis boring” en „Je suis knettergek” hebben inhoudelijk niets meer met het origineel te maken, maar zijn herkenbaar door hun vorm.

Ik neem overigens aan dat „Je suis Charlie” zelf ook als variant is ontstaan. En wel van „Ich bin ein Berliner”, de beroemde woorden die John F. Kennedy op 26 juni 1963 in West-Berlijn sprak – in zijn beroemdste speech ooit. Kennedy had de uitspraak van deze woorden trouwens op een spiekbriefje genoteerd. Er staat: „Ish bin ein Bearleener”. Blijkbaar had Kennedy zelf wel door dat zijn uitspraak van het Duits veel te wensen overliet, want direct hierna zei hij: „I appreciate my interpreter translating my German!”

Kennedy en Charlie Hebdo komen samen in „Je suis ein Berliner”, een variant die eveneens op internet te vinden is.

Hoe lang er nog varianten van „Je suis Charlie” zullen worden gemaakt, weet ik niet. Meestal begint men het na een tijdje flauw en voorspelbaar te vinden, maar je ziet hiermee dat zo’n aanslag taalkundige invloed kan hebben.

Op mij heeft de kortdurende gijzeling van het NOS Journaal ook een taalkundig effect gehad. In de eerste uren na de gijzeling raakten de NOS-verslaggevers er maar niet over uitgepraat. Op tv zag ik een verslaggever die aan de hoofdredacteur van het NOS Journaal een vraag stelde die hij zelf een beetje cru vond. Zoiets als: speelden we niet te veel paniekvoetbal? Omdat de verslaggever wist dat hij zijn baas iets ging vragen wat al te direct kon overkomen, verzachtte hij dit met: „Excusez le moi”.

Dat vond ik zo grappig dat ik nu te pas en te onpas „Excusez le moi” zeg. Dat is gevaarlijk, weet ik uit ervaring. Voor je het weet gebruik je deze variant en twijfel je over de correcte vorm van het origineel.