‘Er was eens en was er eens niet’

André Brink (1935-2015)

Afgelopen vrijdag overleed de Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink. Met zowel zijn romans als publieke optredens ageerde hij tegen de apartheid.

Andre Brink, mei 2002 in Frankrijk. Foto Pool Andersen/ Gaillarde

‘Nog nooit heeft een Afrikaanse schrijver geprobeerd om het systeem op een serieuze manier politiek uit te dagen. Het lijkt wel alsof niemand moedig genoeg is om nee te zeggen”, aldus André Brink in 1971. Het is de tijd waarin het apartheidsregime in Zuid-Afrika nog volop van kracht is. Als van iemand gezegd kan worden dat hij zich tegen dat regime durfde te keren, dan is het wel André Brink. Zijn roman Kennis van die aand (1973) – een aanval op het apartheidsregime – viel de ‘eer’ te beurt dat het de eerste Afrikaanstalige roman was die in Zuid-Afrika werd verboden.

André Brink, 79 jaar oud, overleed vrijdag tijdens een vlucht van Amsterdam naar Kaapstad. Hij had in België een eredoctoraat ontvangen van de Universiteit Leuven. Behalve schrijver was André Brink ook hoogleraar Engels aan de Universiteit van Kaapstad en vertaler.

Het bekendste voorbeeld van Brinks politieke betrokkenheid is Een droog wit seizoen (1979) – in 1989 verfilmd. In deze roman gaat een leraar op zoek naar de waarheid achter de dood van de zwarte Gordon Ngubeni. Uitgestoten uit zijn blanke omgeving, vindt hij ook geen aansluiting bij de zwarte gemeenschap: „Ik ben blank. Dat is de kleine, de laatste, de angstaanjagende waarheid van mijn gebroken leven. Mag dan gehaat worden, uitgestoten en vervolgd en tenslotte vernietigd worden (door de blanke gemeenschap), niets kan van mij een zwarte maken. En zij die wel zwart zijn kunnen dus niets anders dan mij blijven wantrouwen”, concludeert de leraar.

De roman kreeg veel publiciteit, omdat men er overeenkomsten in zag met hoe Steve Biko in 1977 door de Afrikaner politie was vermoord.

Brink is altijd een politiek schrijver gebleven. Dat was niet altijd gebaseerd op de actualiteit, maar ook op bijvoorbeeld het koloniale verleden, zoals in Het eerste leven van Adamastor (1988) dat begint met de regel: „Lang geleden was er eens en was er eens niet.”

Geboren op 29 mei 1935 in het dorp Vrede, groeide Brink op in een overwegend blank plaatsje waar op zondag zelfs twee keer naar de kerk werd gegaan. Dat de godsdienst er met de paplepel was ingegoten blijkt uit Tweesprong (2009). Daarin schrijft Brink dat hij zijn eerste preken in de garage van zijn ouders hield. Alle huisbedienden uit de buurt werden gesommeerd te komen. Brink vertelde ze over de zonde van Cham. „Heel plichtsgetrouw liet ik daarop mijn gemeente weten dat het de wil van de Heer was dat ze bedienden voor ons zouden zijn, de blanken.” Hij weet zich te ontworstelen aan deze opvoeding, terwijl hij als kind nog ziet hoe zijn vader weigert een gewonde zwarte man te helpen.

In 1958 debuteert hij met de roman Die Meul Teen die Hang. Er zouden daarna zo’n veertig romans volgen, naast toneelstukken. Hij ontving drie keer de CNA-prijs, de belangrijkste literaire prijs van Zuid-Afrika. Binnen de Sestigers – een groep Afrikaanstalige schrijvers die in hun werk tegen de apartheid ageerden – was hij een prominente figuur. Hij leerde er Breyten Breytenbach en Jan Rabie kennen, evenals dichter Ingrid Jonker, met wie hij een relatie kreeg. Behalve verzet tegen de censuurwetten wilde de groep taboes doorbreken rond godsdienst en seksualiteit.

Brink bleef in Zuid-Afrika wonen. Hij deed niet mee aan de ‘witte vlucht’. Ook niet toen hij woedend was over de gijzeling van zijn dochter in een winkel, waarbij de politie niet eens de moeite nam er kennis van te nemen. Evenmin toen zijn neef omkwam door een roofmoord. Zuid-Afrika bleef hem te dierbaar. In The Sunday Independent noteerde hij: „Het leven in dit land is zo urgent en direct dat je je als bewoner betrokken en relevant voelt op een manier die ik me nergens anders ter wereld kan voorstellen.”