‘Deze prijs overkoepelt alles’

Gisteren werd bekend dat Remco Campert de Prijs der Nederlandse Letteren krijgt.

De jury roemt in haar rapport de lichtheid van Remco Camperts werk. foto Andreas terlaak

„Ik drink liever uit een glas”. Met die regel opende laureaat Remco Campert (1929) in 1951 het gedicht Een neger uit Mozambique, opgenomen in zijn debuutbundel, Vogels vliegen toch. Gisteravond was er genoeg reden om uit een glas te drinken. Samen met zijn vrouw en het echtpaar Van Kooten vierde hij thuis de toekenning van de Prijs der Nederlandse Letteren. Daarbij werden „enkele glazen wijn gedronken”, maar de laureaat was niet te beroerd om aan de telefoon te komen.

„Kijk, je schrijft natuurlijk geen poëzie om prijzen te winnen, maar ik kan niet anders zeggen dan dat dit een geweldige eer is. Afgelopen week bracht minister Jet Bussemaker me persoonlijk van het nieuws op de hoogte. Ik nam de telefoon op en hoorde vervolgens een vrij jonge stem mij mededelen dat ik de Prijs der Nederlandse Letteren kreeg. Dat kwam totaal uit de lucht vallen. Ik werd niettemin onmiddellijk overmand door een totaal gevoel van verrassing, van geluk. Nu heb ik natuurlijk al die P.C. Hooftprijs in 1976 in ontvangst mogen nemen, en dat was ook een prachtige prijs, maar dit overkoepelt alles. Het belangrijkste vind ik dat het een onderscheiding voor Nederland en België is. Ik heb jarenlang in België gewoond, in Antwerpen om precies te zijn, en ik ben een groot liefhebber, een groot minnaar mag ik wel zeggen, van zowel België als Nederland. Twee verschillende landen waarin je dan met zo’n prijstoekenning even het schakelpunt bent. En natuurlijk niets ten nadele van een AKO Literatuurprijs of Librisprijs, maar dat aan de Prijs der Nederlandse Letteren geen commercie vastzit is prachtig… Het is een, een andere toestand, laten we het zo maar zeggen.”

Dat de jury in haar rapport de lichtheid van Camperts werk roemt, heeft vast te maken met het speelse karakter dat zowel zijn proza als zijn poëzie vaak kenmerkt. Al vanaf het begin maakte hij gebruik van een parlando-achtige stijl, die aanvankelijk nog wel experimenteel oogde, maar die in feite onderkoelder en prozaïscher werd. In zijn bundel Nieuwe herinneringen (2007) verwoordde Campert zelf die ontwikkeling het best: „Van mooie poëzie heb ik nooit zo erg gehouden / tenzij je niet merkte dat ze mooi was.”

Van de Vijftigers – de dichtersgroep waarvan Campert deel uitmaakte en waarvan hij nu nog de enig levende dichter is – had hij verreweg de lichtste toon en was hij de minst dogmatische. Als een jazzmuzikant improviseerde hij vanaf het begin al in zijn poëzie op de werkelijkheid, zonder verkramptheid. Charmant, losjes en inspelend op melancholie bespeelt Campert zijn lezer, maar ook zijn toehoorder. Tijdens het beroemd geworden festival Poëzie in Carré in 1966 hield een onderkoelde, geestige dichter het publiek als aan een touwtje.

Maar waar lichtheid is, is ook zwaarte. En ook die is terug te vinden in zijn verzameld dichtwerk, dat in 1995 onder de toepasselijke titel Dichter verscheen. Zo toont hij zich geëngageerd wanneer hij in 1970 het gedicht Iemand stelt een vraag schrijft bij de schrijversmanifestatie ‘Schrijvers voor Vietnam’. Hij is betrokken wanneer hij schrijft over Zuid-Afrika na de arrestatie van Breytenbach in 1975: Aan Breyten (‘Poëzie is een voorbeeldige daad’). Of melancholiek, wanneer hij het vaak geciteerde gedicht Lamento voordraagt (‘Hier nu langs het lange diepe water / dat ik dacht ik dacht dat je altijd maar / dat je altijd maar). En een goede vriend wanneer hij bij de dood van zijn mede-Vijftiger Lucebert dicht: ‘rouw rijmratten / nestblijvers en nestvlieders / vrijgeest en flapdrol’.

De lichtheid waar de jury op doelt zal misschien eerder slaan op het proza en de columns van Campert dan op zijn poëzie. Zijn proza is stilistisch toegankelijk, met personages die vaak weinig pretentieus in het leven staan. Wanneer het onderwerp wel wat zwaarder is, dan biedt hij ze redding. In een interview met Arjen Fortuin in deze krant zei hij bijvoorbeeld over zijn roman Hotel du Nord (2013): „Ik ben geneigd om mensen niet verloren te laten gaan. Ik moet redding bieden, misschien mezelf ook wel. Anders wordt alles te somber en te gruwelijk – dan is het niet leuk.”

In een roman als Gouden Dagen draagt hij het geluk nadrukkelijk uit en spot met auteurs die mensen vertellen dat ze ongelukkig moeten zijn. Provocerend stelt de verteller bijvoorbeeld: „Misschien heb ik gemakkelijk praten. Ik ken alleen het geluk, en hoe ik ook een beroep doe op mijn inlevingsvermogen, ik kan me er geen voorstelling van maken hoe een ongelukkig mens zich voelt.”

Campert heeft nooit de mythe van de romantische kunstenaar aangehangen, en loopt veelzijdig in de wereld der letteren rond zonder te koop te lopen met zijn aanzienlijke succes. Daar mag best nog een glas op gedronken worden.