Column

Bezeten boek

De roman Zeer helder licht van Wessel te Gussinklo stond op de shortlist voor de AKO Literatuurprijs 2014 en staat nu weer op de longlist voor de Libris Literatuurprijs 2015. Collega-schrijvers en critici oordelen opvallend gunstig over het boek. Kees ’t Hart: „Een zeer fraaie, geestige, vaak ontroerende en soms pijnlijke roman.” Rob Schouten: „Een weerbarstig, gruwelijk en groots boek.”

Ik had nooit eerder iets van Te Gussinklo gelezen, behalve dat merkwaardige artikel dat hij in 2005 in Trouw schreef onder de kop Brief aan mijn apotheker. Hij beschreef hoe hij de schrik van zijn leven had gekregen, toen hij achter de toonbank van zijn apotheker ‘een mevrouw met een hoofddoek’ zag staan. Hij waarschuwde de apotheker dat hij nooit meer door die mevrouw geholpen wilde worden, want ze vertegenwoordigde voor hem een ‘wereld van dreiging en geweld’.

Misschien heb ik toen onbewust het besluit genomen hem ook als romanschrijver niet serieus te nemen. Ik heb in ieder geval nooit meer geprobeerd iets van hem te lezen. Ten onrechte, blijkt nu, want ik ben het van harte eens met al die lof voor Zeer helder licht. Het is niet alleen een bijzonder, maar ook een bijzonder goed boek. Ik schrijf dit in het volle besef dat sommige lezers er niets aan zullen vinden; voor hen zal het een wijdlopig, nogal ouderwets aandoend boek zijn van een 74-jarige schrijver – en dat is het in zekere zin ook.

Wie soepele, korte zinnen wil lezen, geschreven door een schrijver die lijnrecht op zijn doel afgaat, kan Zeer helder licht beter ongelezen laten. Het is bovendien een boek met weinig handeling. Wat Te Gussinklo daar tegenover stelt, kan het best in één woord worden uitgedrukt: intensiteit. Hij beschrijft bezetenheid met bezetenheid. Bezeten is zijn hoofdpersoon (van een uitzichtloze liefde) en bezeten is de stijl waarmee hij de tragedie onder woorden brengt.

„En alles wat ik zag zover mijn oog reikte, waar ik ook keek tot aan de horizon, was naar mij toegewend om mij te steunen, om mij te beamen. Alsof de wereld zich voor mij openvouwde als nieuw en ik alles voor het eerst zag. Alles nieuw – door jou, mijn lief, alleen door jou.”

Soms kreeg ik het gevoel dat ik een vers van Gorter zat te lezen: „Hè ik wou jij was de lucht/ dat ik je ademen kon/ en je zien in het hoge licht/ en door je gaan kon./ Waar zijn je armen en je handen/ en die witte overschone landen/ van je schouders en schijnende borst – / ik heb zo’n honger en dorst.”

Literatuur is in de eerste plaats stijl, besefte ik weer eens dankzij dit boek. Het verhaal is niet bepaald bijzonder: Wander, een 31-jarige schrijver in spe vat een diepe liefde op voor Hanna, een 19-jarige studente, een braaf meisje uit een rijke, burgerlijke familie. Het boek was een draak geworden als Te Gussinklo dit verhaaltje keurig had afgewikkeld. In plaats daarvan tilt hij het hoog op door steeds met nabokoviaanse sensibiliteit de obsessie van Wander te omcirkelen.

Het is vooral een ernstig boek, maar het heeft ook een humoristische toets. De kennismakingsscène van Wander met Hanna’s afwijzende ouders is een van de geestigste die ik in een Nederlandse roman las.

‘Ja,’ zei de vader. Hij keek langs mij alsof ik er al nauwelijks meer was, wat glimlachend nog steeds. En zag ik daar geen klein triomfantelijk lichtje in zijn ogen. ‘Ja,’ zei hij, ‘fijn u een keer ontmoet te hebben.’