Alles is vergeefs, alles wordt gras

In het Filosofisch Arboretum van Wouter Oudemans staan treurbomen. Als hulde aan de variatie.

Filosoof Wouter Oudemans in zijn arboretum: ‘Echt krankzinnig. Zestig grote treurbeuken, dat heeft nog nooit iemand gezien.’ Foto Kees van de Veen

Tussen de kale akkers in het Oost-Groningse Wedde rijst een wit landhuis op met een keurige oprijlaan. Filosoof Wouter Oudemans liet dit huis tien jaar geleden bouwen. Op het voormalig aardappelveld erachter plantte hij 600.000 ‘gewone’ bomen – nu al een aardig bos. Daarna kwamen de jonge treurdennen, treurdouglassen, treurjeneverbessen en andere naar beneden hangende varianten, uit Japan, de Himalaya, China, de VS. Zo’n zesduizend heeft hij er nu.

„Een naar arboretum”, zo noemt Wouter Oudemans zijn eigen treurbomentuin. „Het confronteert je met dingen die je helemaal niet wilt weten. Zoals met de dood, en met het feit dat wij mensen de natuur niet zo kunnen beheersen als we willen.”

En nee, beaamt hij opgewekt, mooi is het arboretum ook niet. “Kijk nu deze omgekeerde hoed, ha, ha. Of deze rare vorm met twee hoorns, gedrochten zijn het.”

In mei opent Wouter Oudemans zijn arboretum, na meer dan 25 jaar te hebben gewerkt op de Universiteit Leiden als docent en hoogleraar Filosofie. De filosofische gedachten achter de bomentuin staan in het boek ‘Vegatieve Filosofie’ dat hij met zijn vroegere student-assistent Norbert Peeters schreef. Doelen bijvoorbeeld, die zijn er niet. Niet voor de individuele treurboom of zijn blad, niet voor de mens, en ook niet voor het nieuwe arboretum. Alles in de natuur is vergeefs. Oudemans ziet het daarom graag als een spel. ‘En dat de natuur een spel is, kan het beste blijken in een bomentuin’, zo schrijft hij in het slothoofdstuk.

Al in zijn eerdere boeken ‘Echte Filosofie’ (2007) en ‘In Natura’ (2012) confronteerde Oudemans inzichten van filosofen als Heidegger, Leibniz en Nietzsche met inzichten uit de natuurwetenschappen, en dan met name het Darwinisme en de Thermodynamica. Vanaf zo ongeveer de verhuizing naar Wedde, realiseerde hij zich onze extreme afhankelijkheid van de plantenwereld – die vaak veronachtzaamde en tegelijk zo intelligente en actieve wereld. Al die bomen die zich maar steeds weer voorbereiden op de vorst, al die bladeren die zonlicht omzetten in voedingsstoffen. „Als je herfstbladeren wegveegt”, zegt hij aan de keukentafel, „realiseer je je niet wat voor wonderlijke nanomachinerieën deze zijn geweest.”

Natuurlijk, zegt hij, we weten wel dat we zonder planten niks zijn. Maar veel mensen realiseren zich niet hoe ons parasitisme op dit moment leidt tot de vergrassing van de aarde. “Wij zijn een vergraste soort, we eten granen en grasetende dieren en we vermeerderen ons snel. Dat we nu steeds meer monoculturen aanleggen op plaatsen waar eerst bossen groeiden, is daarom onontkoombaar.”

We kunnen de monoculturen en de ontbossing niet beheersen?

„Nee, maar veel mensen denken dit wel en voelen zich daar dan schuldig over. En dan gaan ze offers brengen in de vorm van natuurparken. Maar dat zijn rituele gestes, schijnhandelingen, vergelijkbaar met de botten die mensen vroeger aan de Goden offerden. Intussen gaat de vergrassing gewoon door.”

Is uw arboretum ook zo’n rituele geste?

„Ik kan de vergrassing ook niet tegen gaan. Maar ik kan wel voor mezelf een niche creëren die anders is dan het maanlandschap hier in de buurt.”

De afrastering tussen het Filosofisch arboretum en de maisakker van de buurman noemt Oudemans een ‘membraan’. Tuinen zijn, net als bijvoorbeeld celonderdelen, levende wezens of landen, afhankelijk van membranen die selectief zaken wel of niet doorlaten. Maar dit selectief doorlaten is nooit helemaal beheersbaar. Ook in het arboretum van Oudemans, met zorgvuldig aangelegde membranen rond ‘Amerika’, ‘China’ en ‘Japan’, blijft de Gageldoorn binnenkomen.

Bovendien, je kunt wel met een bepaald idee een tuin gaan afscheiden van de omgeving. Maar je weet absoluut niet hoe dit gaat uitpakken. In 1848 begon Oudemans’ betovergrootvader. J.H. Schober een naaldbomenarboretum op de Veluwe om de Nederlandse bosbouw vooruit te helpen. Anno 2015 heeft dit Landgoed Schovenhorst een kaartjesautomaat, een uitkijktoren, een klimkooi en is het, aldus de site, een ‘wondere bomenwereld die een bijzondere belevenis biedt’.

In Wouter Oudemans’ arboretum buigt een Japanse zilverspar zo diep naar de bodem dat je je afvraagt wat de evolutionaire zin daarvan is. Waarom zo’n pijnlijk onhandige, dubbel gevouwen stam? „Niet alles hoeft een evolutionair voordeel te hebben”, zegt Oudemans. „En deze is gezond. Hij ziet er blij uit, met stevige naalden en groene uitlopers.”

„En deze dan!”, roept hij even later over een nog bizarder dennetje. „Ha, ha deze jubelt helemaal.”

Kan het streven naar een leuk leven geen doel zijn?

„Nou, een leuk leven… Dat klinkt hedonistisch, alsof je geen offers wilt brengen. Ik zou zeggen: probeer zo mee te spelen dat het spel de meest onverwachte wendingen krijgt. En of het dan een comedy of tragedie wordt zie je achteraf wel.” Maar, benadrukt hij, Oudemans spreekt hier uitsluitend voor zichzelf, „Ik ben geen dominee.”

U wilt een boeiend leven?

„Een boeiend, maar ook een riskant leven. Een leven waarin je, laat ik het eens zo formuleren, zelf een variant zou kunnen wezen van de Darwinistische variatie. Waarin je dus niet een saaie kopie bent, maar probeert te beantwoorden aan de variatiemogelijkheden die de natuur biedt.”

Dit arboretum is riskant, zegt Oudemans. „De volgende kan er asfalt op leggen.”

Hoe wordt je zo’n unieke variatie? Je rekt het originele in jezelf op?

„Dat hoop je, maar je hebt niet zoveel in jezelf. Alles is interactie. Kijk, streven naar een leuk leven klinkt mij toch nog in de oren alsof je een subject bent die los staat van alles om hem heen. En ik zeg: nou nee, je bestaat alleen als spiegeling van je omgeving. Dan is het toch al heel wat als je een lachspiegel bent in plaats van een saaie scheerspiegel, ha, ha.”

De zestig treurbeuken kwamen naar Wedde als 60 ‘cultivars’ van de ‘soort’ beuk. Dat indelen in natuur en cultuur, en in cultivars en soorten, vindt Oudemans óók weer zo’n typisch menselijk gezichtspunt waar de plantenwereld geen boodschap aan heeft, getuige de zo uiteenlopende beuken. „Na mijn dood is het hier totaal bizar”, roept hij bij de jonge boompjes uit. „Echt krankzinnig. Zestig grote treurbeuken, dat heeft nog nooit iemand gezien.”