Zijn we te bang?

Per 284 Nederlanders is er één agent, militair of medewerker van de inlichtingendienst. En toch blijven we bang voor aanslagen. Is die angst wel reëel? En hebben politici de plicht de veiligheid te vergroten?

De Nederlandse politie heeft zo’n 51.000 agenten in dienst. Bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst werken 1.300 mensen. Bij de militaire geheime dienst zijn dat er ongeveer 1.000. En vanuit het ministerie van Defensie, werd deze week bekend, wordt ook de Koninklijke Marechaussee ingezet om uw veiligheid en die van „objecten met een hoog risicoprofiel” te waarborgen. Dat zijn nog eens 6.227 militairen en politiemensen.

Stel nu eens dat die 59.527 ambtenaren zich allemaal werkelijk bezighouden met het beschermen van de ruim 16,9 miljoen inwoners van Nederland. Dat komt neer op één wakende ambtenaar per 284 Nederlanders. Is dat een rustgevend aantal? Of juist schrikbarend?

Op de vraag hoeveel bescherming genoeg is, valt met geen mogelijkheid een objectief antwoord te geven. Risicoperceptie en angst bepalen een deel ervan, en die verschillen per individu. Het maakt voor je onveiligheidsgevoel uit of je man of vrouw bent, in een hogere of lagere sociaal-economische klasse zit, of je al eerder slachtoffer bent geworden van criminaliteit of dat je iemand kent die dat is.

Ook kleine dingen maken uit; of je veel naar de commerciële omroep kijkt bijvoorbeeld: meer „populaire berichtgeving lijkt bij te dragen aan onveiligheidgevoelens”, staat in een onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dat deed een paar jaar geleden onderzoek naar angst bij burgers in het algemeen, niet alleen voor terrorisme. Wie zich fysiek of mentaal kwetsbaar voelt, is vaak banger.

Irreële angst

Zijn we te bang? Dát Nederlanders angst, onrust, onzekerheid voelen ligt met alle terreurnieuws als standaardaanname onder het publieke debat. Terwijl daar best een voorbehoud bij te maken valt.

In peilingen noemen mensen de opkomst van de Islamitische Staat (IS) of de mogelijkheid van een terroristische aanslag wel, als antwoord op een open vraag waarover ze zich „in meer of mindere mate” zorgen maken. Maar angst dat zijzelf of hun gezin slachtoffer worden van een ramp of aanslag, had de overgrote meerderheid – 83 procent – in oktober vorig jaar niet. Die meting is van voor de aanslagen in Parijs, maar van ná de zomer van 2014, vol geweld, demonstraties en de ramp met de MH17.

Waar de angst voor terreur dan toch onszelf of onze naasten in Nederland betreft, is die angst zo goed als irreëel, gezien de kansen werkelijk slachtoffer te worden. In Europa vielen in 2013 zeven doden door in totaal 152 terroristische aanslagen. Het merendeel daarvan is niet – wat gezien de berichtgeving over jihadisme te verwachten zou zijn – met een religieuze achtergrond gepleegd. Het actiefst zijn separatisten zoals de Baskische ETA, de Ierse IRA of de Corsicaanse afscheidingsbeweging FLNC.

Voor politici is zulke relativerende context lastig te schetsen. Al helemaal als er weer een schokkende onthoofding, zelfmoordaanslag of provocerend jihadfilmpje in het nieuws komt. Je woorden zouden maar bagatelliserend kunnen overkomen.

Eigen monsters

Nederlandse politici zeggen vaak dat zij de maatschappij geen veiligheidsgarantie kunnen bieden. Na ‘Parijs’ lag het iedereen voor in de mond: helaas kunnen we niet uitsluiten dat zoiets ook in Nederland gebeurt. Alleen die disclaimer raakt snel vergeten als het verdere debat vervolgens tóch vooral gaat over maatregelen die risico’s moeten inperken. Teruggekeerde jihadgangers moeten gederadicaliseerd worden (het zijn er in Nederland naar schatting 35), haatpredikers moeten worden aangepakt, ronselaars voor de jihadgang verstoord.

Is dat de juiste weg? Zoals hoogleraar sociologie Frank Furedi vorig jaar in een interview in Vlaams weekblad Knack zei, kort nadat het kalifaat de Amerikaanse journalist James Foley had onthoofd: „Natuurlijk is het onthoofden van een onschuldige man afschuwelijk, maar het vormt geen enkele bedreiging voor onze persoonlijke veiligheid. Het is paradoxaal: door zo angstig te reageren, spelen we de vijand in de kaart. We creëren onze eigen monsters.”

Volgens Furedi moeten politiek leiders accepteren dat terrorisme niet meer zal verdwijnen. „Laten we ermee leren omgaan en intussen de waarden verdedigen waar onze westerse maatschappij voor staat: vrijheid, tolerantie en democratie.” Onderzoek laat zien dat wat Noorwegen deed na de aanslagen van Anders Breivik, werkte: niet te veel meegaan in veiligheidsdenken, vooral je open samenleving blijven benadrukken. Of wat Denemarken nu doet: teruggekeerde jihadisten niet straffen maar helpen. En ja: daar kleeft het risico aan als soft te worden neergezet.

Afstand nemen van die wij-zijn-verantwoordelijk-en-moeten-dus-iets-dóén-dynamiek is voor politici moeilijk en in hun ogen niet altijd opportuun. Ze gebruiken angst ook als vehikel om hun eigen werkelijkheid te creëren, zegt Damiaan Denys, hoogleraar psychiatrie en filosoof met een fascinatie voor angst. „De één wil het leger inzetten, de ander vindt dat verheerlijking van geweld strafbaar gesteld moet worden. Controle is tot deugd verheven. Onze geest vindt het moeilijk te accepteren dat er een kans bestaat dat iets misloopt. Daar gaan politici in mee.” Zijn gelijk is volgende week live te aanschouwen, als de fractievoorzitters met premier Rutte debatteren over de vraag of de maatregelen van het kabinet tegen de terreurdreiging voldoen.

Onzichtbare gevaren

Van de maatregelen die beleidsmakers dus toch nemen, is vervolgens de vraag of ze werken. Neem de wet die de mogelijkheden voor opsporing van terroristische misdrijven verruimt, ingegaan in 2007. Politie en justitie mogen sneller opsporingsmiddelen inzetten als zij aanwijzingen hebben voor terroristische plannen: ze mogen eerder stelselmatig observeren, telefoons aftappen, mensen in bewaring stellen en hebben meer fouilleringsbevoegdheden.

Wat blijkt uit een evaluatie: onderzoekers kunnen niet vaststellen dat deze verruimde bevoegdheden hebben bijgedragen aan een efficiëntere opsporing van terroristische misdrijven. Politie en justitie hebben amper beroep gedaan op de meeste extra bevoegdheden uit de nieuwe wet. Ironisch is ook dat de extra mogelijkheden die politici aan politie en justitie wilden geven, volgens de evaluatie niet nodig bleken: die hadden ze allang.

Nieuwe maatregelen om risico’s in te perken, compromitteren rechten van burgers, vaak vanwege de angst voor onzichtbare, diffuse gevaren. Denys geeft als voorbeeld dat vliegtuigpassagiers alleen miniverpakkingen van maximaal 100 milliliter vloeistof mogen meenemen in hun handbagage. Die maatregel is ooit genomen vanwege één, op tijd verijdelde, dreiging in 2006 op luchthaven Heathrow. „Onze angsten zijn geïnstitutionaliseerd geraakt en we verliezen erdoor aan waardigheid en vrijheid.”