Vanuatu: 65 bewoonde eilanden en 110 talen

Hoe is het om met 260.000 mensen meer dan honderd verschillende talen te spreken? In Vanuatu, een eilandstaatje in de Stille Oceaan, hebben ze daar ervaring mee.

Het gebeurt niet iedere dag dat er in Nederland iemand promoveert op een taal uit het land Vanuatu. De meeste Nederlanders zullen niet eens weten waar dat ligt. Vanuatu is een eilandengroep in de Stille Oceaan, vroeger Nieuwe Hebriden genoemd, waar 260 duizend mensen wonen, die 110 verschillende inheemse talen spreken. Vanuatu is daarmee het land dat de meeste talen ‘per hoofd van de bevolking’ heeft.

„Als de talendiversiteit in heel de wereld zo groot zou zijn als op Vanuatu, zouden er nu 2,8 miljoen talen zijn”, zegt de kersverse doctor, Jeremy Hammond, op een regenachtige middag in Nijmegen. Hammond beheerst zelf drie Vanuatu-talen: twee talen van verschillende eilanden (op een van de twee promoveerde hij) en daarnaast de nationale taal, Bislama, een nog piepjonge taal die de afgelopen twee eeuwen uit het Engels is ontstaan.

De 110 inheemse talen van Vanuatu behoren – met uitzondering van het Bislama – tot één grote taalfamilie: die van de Oceanische talen. Die mag je qua ouderdom (drieduizend jaar) vergelijken met de Germaanse taalfamilie. Hoe zou het zijn als we in Europa een land hadden waar 110 verschillende Germaanse talen worden gesproken? Daar moet je het mee vergelijken, zegt Hammond.

Vanuatu heeft tachtig bewoonde eilanden. Veel van die eilanden hebben hun eigen taal. Maar er zijn ook een paar grote eilanden waar twintig of dertig verschillende talen gesproken worden. Op het eiland Tanna, waar Hammond zijn onderzoek deed, zijn het er zes. Dat is veel voor een eiland dat drie keer zo groot is als Texel.

Zijn dat echt zes talen? Of zijn het eigenlijk dialecten? Hammond: „Het zijn talen die in elkaar overlopen. De mensen wonen in kleine gehuchten. Als je van gehucht naar gehucht loopt, hoor je hoe de woorden, de klanken en de zinsbouw langzaam veranderen. En op een bepaald moment, na twintig kilometer of zo, versta je het niet meer. Dan is het echt een andere taal geworden.”

In Nederland zou je volgens hem ook zo'n wandeling kunnen maken. „Je laat bijvoorbeeld een Rotterdammer van Rotterdam in oostelijke richting lopen. Hij praat onderweg alleen met oude dialectsprekers. Ook dan is er een moment waarop het voor hem heel erg lastig wordt om de ander te verstaan. Dat is waarschijnlijk ergens net voor of net voorbij de Duitse grens.”

Als je het ABN wegdenkt, houd je in Nederland een land over met een stuk of vijf verschillende talen: niet alleen Nederlands en Fries, maar ook Limburgs, Nedersaksisch (in Noordoost-Nederland) en Zeeuws.

Veertig kilometer verderop

„Op Tanna spreekt bijna iedereen meerdere talen. Want hoe gaat dat? Een man uit het zuiden trouwt bijvoorbeeld met een vrouw die, veertig kilometer verderop woont, in het noorden. De vrouw gaat bij de man wonen. Ze krijgen kinderen. Die groeien op met twee talen: de taal van de moeder en die van de vader. Die van de vader wordt uiteindelijk hun eerste taal, want dat is de taal van het gebied waar ze wonen.

„Ondertussen zijn die kinderen ook redelijk vertrouwd met de taal van hun moeder, dus als ze later in het noorden komen, verstaan ze de mensen daar vrij goed. Daar kunnen ze, als ze handel drijven of op een andere manier contact hebben met het noorden, veel profijt van hebben.”

Wat je op Tanna dan ook veel ziet, is dat mensen de taal van de andere kant van het eiland niet echt spreken, maar wel redelijk verstaan. Dat levert vaak tweetalige gesprekken op, waarin elke gesprekspartner gewoon in zijn eigen taal spreekt en ervan uitgaat dat de ander hem wel min of meer verstaat.

De hoofdstad van Vanuatu, Port Vila, ligt op een ander eiland, 250 kilometer van Tanna vandaan. Volgens Hammond is het de snelst groeiende hoofdstad ter wereld. In 2000 woonden er 30,000 mensen, inmiddels zijn dat er 50.000.

In de hoofdstad worden maar liefst drie officiële talen gesproken: Engels, Frans en die nieuwe taal die Bislama genoemd wordt.

Het Engels en Frans zijn overblijfselen van een merkwaardige koloniale periode, waarin de eilandengroep door Engeland en Frankrijk sámen bestuurd werd. In de praktijk betekende dat dat sommige eilanden Frans waren en andere Engels. En soms was de ene kant van een eiland Frans en de andere kant Engels. Vanuatu is sinds 1980 onafhankelijk, maar er bestaat nog altijd Engelstalig en Franstalig onderwijs naast elkaar.

In de hoofdstad hoor je tegenwoordig vooral Engels en Bislama. Bislama is in de negentiende eeuw ontstaan uit een ‘pidgin’: uit gebrekkig Engels, waar men zich in de koloniale tijd noodgedwongen van moest bedienen. Daaruit is een nieuwe volwaardige taal (een creooltaal) ontstaan, die wel een beetje lijkt op het Surinaams – ook een creooltaal die uit het Engels ontstaan is.

„Vrijwel iedereen in de hoofdstad spreekt Bislama als tweede of derde taal. Maar er is ook een steeds groter wordende groep die het inmiddels als moedertaal spreekt.” Dat gaat als volgt. Iemand van een eiland trouwt met iemand van een ander eiland. Dat echtpaar gaat in de hoofdstad wonen, omdat daar meer werk is. Daar spreekt bijna iedereen Bislama. De verleiding is dan groot om de kinderen maar zoveel mogelijk in het Bislama op te voeden. Want met de moedertalen van de ouders, vrij marginale talen van andere eilanden, kunnen ze in de hoofdstad niets. Hammond: „De ouders kiezen meestal, bewust of onbewust, voor de taal die voor hun kinderen de beste toekomstperspectieven heeft.”

Ook de directe omgeving van de hoofdstad – de rest van het eiland en de eilandjes eromheen – schakelt nu langzaam over op het Bislama.

Parlementair Engels

Vanuatu is een democratie. In het parlement wordt vooral Engels gesproken. Hammond: „De parlementsleden hebben meestal een goede opleiding genoten en willen dat ook graag laten zien.”

Maar zodra de hoofdstad met de rest van de eilanden communiceert, bijvoorbeeld met het eiland Tanna, gebeurt dat in het Bislama. Met als gevolg dat het Bislama voor eilanden als Tanna ook steeds belangrijker wordt.

Op Tanna spreken de meeste mensen inmiddels drie of vier talen: vaak twee van de talen van het eiland, daarnaast Bislama en soms, als ze lang op school hebben gezeten, ook nog Engels. Hammond: „Het is interessant om te zien welke taal ze kiezen als ze in het openbaar met elkaar beraadslagen. De eilandbewoners zitten dan in een grote kring. Wie het woord wil voeren gaat in die kring staan en moet behoorlijk luid praten, wil iedereen hem kunnen horen. Sommige spreken dan een lokale taal, anderen spreken Bislama en de hoogst opgeleiden spreken soms Engels. Het komt ook geregeld voor dat één spreker twee of drie talen door elkaar heen gebruikt. Soms binnen één zin.”

De lokale talen nemen steeds meer Bislama-woorden op. „Dat Bislama kruipt langzaam in hun eigen talen. En dat is logisch. Als er vanuit de moderne wereld allerlei nieuwe dingen op je afkomen, heb je daar woorden voor nodig en dan is het het makkelijkst om die woorden te lenen uit een taal die daar al woorden voor heeft.” Dus lenen de lokale talen veel woorden uit het Bislama, en die heeft ze weer uit het Engels geleend.

Inmiddels wordt het Bislama ook belangrijker als communicatiemiddel tussen eilandbewoners die van huis uit verschillende lokale talen spreken. Is dat niet het begin van het einde van die lokale talen?

Hammond: „De lokale talen zijn nog vrij sterk hoor. De optimist in mij zegt dat ruim de helft van die talen over honderd jaar nog gesproken wordt. Maar de pessimist in mij voegt eraan toe: die talen zullen dan wel heel veel Bislama-woorden hebben opgenomen.”