Vaandels

Ilja Leonard Pfeijffer, dichter en columnist van nrc.next, stelde zich voor hoe het is om te onthoofden voor IS. „Hier in het zand zet ik hypocrisie te kijk.”

Illustratie Anne van Wieren

Het wakkert aan. De vlaggen rukken aan hun koorden.

De buitenposten rapporteren hese horden

die bruine fluimen op verhitte rotsen spuwen

met woorden, buitgemaakt, die van geen gruwel gruwen,

geraspt op droge tongen uit de hete bergen,

waar volkeren hun zelfbedachte schepper tergen

door militant te overleven in zijn hel

als een verwoed kwaadaardig kankerend gezwel.

Uit woede om zijn wet wordt zijn wet opgelegd

aan wie een schamel woord van bleke liefde zegt.

Wie twijfelt aan de hel op aarde, kan hem krijgen.

Wie zingt met blauwe inkt op huid, kan beter zwijgen.

Een hand wordt onder lange latten vastgezet

voordat het klinkt. Een tong die niet dient voor gebed,

wordt bij de wortel uitgerukt met grauwe hand.

Want elke godsdienst is ontstaan uit zand. Geen land

verschrompelt voorhuid en gedachten als woestijn,

waar kemelhaar en waanbeelden voorhanden zijn

en waar de heremieten water slaan uit steen.

Gebroken staven liggen om profeten heen

en leeuwenwelpjes zuigen aan hun schrale borst,

terwijl de duivel danst met vette schapenworst,

gepekeld in de kut van donkerblauwe vrouwen,

die kijken met het oog van eeuwenoude pauwen

in kleuren van een lang vergeten bos. Ik was

er ooit. Ik kan niet zeggen waar het was. Het gras

ging giechelend langs hinkelende meisjes heen.

Ze hebben twintig woorden voor een meisjesbeen

met slakkenhuisjes om de enkel in hun taal.

Het woord voor ziel is ook het woord voor het verhaal

dat doden aan de vlinders hebben doorverteld

met blauwe ogen in amandelvocht geweld

als dauw van koningsblauw in het geheime dal.

Toen ik daar was, wist ik dat ik daar leven zal

met het gegrinnik van de beek in de vallei

en houten waterwerkjes, ingenieus en blij,

omdat ze zijn bedacht door warme mensenhanden,

terwijl er op de hoge bergweg autobanden

tot flarden rubber in het stof worden gevloekt,

gezichten achter zwarte stof zijn opgedoekt

en stenen aanstoot zijn voor stalen bodemplaten

van bonkig losgeslagen volk in alle staten

met zwarte vlaggen naar een willekeurig front.

Wie vuur uit ogen spat, vindt overal een lont.

De waarheid is aanlokkelijk, want zij is waar.

In plaats van dat ik naar de televisie staar

waar ik vervelend word genoemd, ben ik graag echt.

In plaats van hangen op het pleintje sta ik recht

in het gevecht van goed en slecht met een geweer.

Ik ben soldaat, geen minderwaardig burger meer.

Het regent sterren op het bloed dat ik vergiet

in naam van welke god maar mijn verveling ziet.

En geef me ongelijk. In de woestijn wordt zand

van rauwe eikels afgelikt en elk bestand

is zand in onze ogen. Jullie zeggen haat.

We zeggen dat het ons om ware liefde gaat.

De zwarte vlaggen rukken strakker aan de mast.

De buitenposten zijn onaangenaam verrast.

Ik lach mijn blonde baard bloot voor hun verrekijkers.

Hun wetten zijn constructies van drie rederijkers

die onderling een afgekloven pen afkluiven

in naam van grijze duiven die je uit mag wuiven

op vliegtuigtrappen van de brave, nieuwe wereld.

Alsof de koekoek in een nest van sperwers merelt.

Alsof de leeuwenwelpjes pootjes blijven geven.

Of zeg je dat ik moest genieten van mijn leven

in Tilburg Noord, Schiedam, de Bijlmer, Schilderswijk?

Hier in het zand zet ik hypocrisie te kijk

op YouTube met een bloedend mes op blanke kelen.

Na onverschilligheid zal ik een keertje schelen.

Het onderzoek van diensten is op mij gericht.

Ik heb een mes, geloof, respect en een gezicht.

Ik denk niet dat een vale gier ooit eitjes legt.

Een schorpioen bewijst zich in een snel gevecht.

Er wordt te veel gezegd. In de vallei zijn woorden

voor met een meisjesbeen te springen over koorden,

gesponnen door de blauwe oma’s van het dorp

die weten dat tussen het werpen en de worp

een beekje giechelt en voor de herinnering

hoeft niemand ver te reizen. Ieder gloednieuw ding

is ronduit schitterend en altijd zo geweest.

Want wat de sjaalman in de oude boeken leest,

zijn slechts verhalen voor het slapengaan. De maan

is maar banaan van kaas. De nachten gaan. De waan

vertoeft in toppen van de hoge moerbeibomen,

waar slechts de allerstoutste jongens kunnen komen

met rappe beentjes als een kunstig waterwerkje

en schoudertjes als vlerkjes, onbeschaamd. Dat merk je

wanneer de meisjes schelpen om hun enkels binden

en zich verstoppen om zich snel te laten vinden.

Ik ben er nu. Ik kan niet zeggen waar ik ben.

De oude, blauwe pauw beschermt ons tegen hen

die slierten kwijlen in het zand met schuddend hoofd

als letters van de ware woorden die geloofd

of anders naar de letter toegepast gaan worden.

Ik staar vanuit de buitenpost naar hese horden

die moorden met hun mond en met verkrampte handen.

De woede om een ketters hart druipt van hun tanden.

Een scherpe steen is aanstoot voor een jonge vrouw

die als een hoer verkracht is en daarom ontrouw.

Ze bloedt dood in haar ingegraven plunjezak.

De grijze duiven schuifelen op hun gemak

de vliegtuigtrappen op en af in pak. Ik ben

kalief van Andalusië. Mijn witte pen

schrijft cirkels van de Grieken op de blauwe muren,

die filosofen met hun vraagstelling glazuren.

Ik heb het koele water naar de rots gebracht

en duizend sterren opgehangen in de nacht.

Mijn dichters fluisteren. De tuinen staan in bloei.

Mijn raadsheer weet hoe wind op even dagen woei,

toen wij de oude manuscripten en verdragen

verscheepten naar de trotse koningen met kragen

als molenstenen van hun waarheid om hun nek.

Ik zag een sperwer met een duifje in zijn bek.

Het wakkert aan. De vlaggen rukken aan hun koorden.

De buitenposten rapporteren stille horden

die stapvoets optrekken tegen ons breekbaar huis.

Ze dragen witte vaandels met een vuurrood kruis.