Strafrechtpleging is hier al jaren een probleem

Na zijn veroordeling voor het voorbereiden van een aanslag tot anderhalf jaar cel is Omar H. er vorige week gauw vandoor gegaan. Of, zoals minister Opstelten dinsdag in het NOS Journaal zei: „Hij is niet meer zichtbaar”. Opstelten „kon niet bevestigen noch ontkennen waar hij is’’. Pure poëzie, zulke zinnen. Natuurlijk is Omar H. nog steeds zichtbaar. Alleen niet voor het gezag dat verzuimde hem meteen in hechtenis te nemen.

Daarmee werd voor de derde keer binnen een maand de illusie doorgeprikt dat de strafrechtspleging hier een geoliede, effectieve en rechtstatelijk verantwoorde machine is. Dat is niet zo – en ook al jaren niet. Het is een tombola, waar toeval, fouten en een tekort aan capaciteit een grote rol spelen. Strafkans, pakkans, oplossingspercentage – samen ook wel ‘handhavingsquote’ genoemd – zijn bij ons, zacht gezegd, niet indrukwekkend. Dat is binnen het apparaat geen geheim. Maar soms staat de wind verkeerd en wordt er een wrak zichtbaar. Of een paar tegelijk.

Zie ook de zaak van Bart van U., verdacht van de moord op zijn zus en mogelijk betrokken bij de moord op oud-minister Els Borst. Daarin werden tenminste twee kansen gemist om hem op te sluiten en zo mogelijk twee moorden te voorkomen. Het verzuim hem na zijn veroordeling DNA af te nemen trok de meeste aandacht. Hoogleraar criminalistiek Ton Broeders schatte in het NOS Journaal dat 20 procent van de veroordeelden deze verplichting ontwijkt. Vermoedelijk diegenen die op vrije voeten zijn, de post niet lezen of geen zin hebben in DNA-afname. Waarna de politie ze dus moet opsporen. Dat is een bekend probleem, de stapel ‘oninbaar en onvindbaar’, ofwel de executieachterstand. Er lopen nu naar schatting 12.000 veroordeelden vrij rond à la Omar H., die in de cel horen maar die de politie niet kan vinden.

In de zaak Bart van U. vond ik de OM-beslissing om het bevel tot gevangenneming niet uit te voeren ernstiger. Zowel bij de rechtbank als bij het Hof had het OM tien maanden cel wegens wapenbezit geëist. Het Gerechtshof vond Van U. echter zó gevaarlijk dat ze hem acuut drie jaar wilden laten vastzetten. Maar het OM legde dat bevel naast zich neer. Hoe kan zoiets? De verklaring vond ik nogal rammelen. Het verschil tussen tien maanden en drie cel vond het OM te groot. Daarbij woog mee dat de verdachte in cassatie ging. Maandag schreef VU-docent strafrecht dr. Sonja Meijer op de opiniepagina dat het OM een rechtsplicht heeft te doen wat de rechter opdraagt. Daar is in beginsel geen ruimte voor eigen opvattingen, zeker als er een duidelijk gemotiveerd bevel tot gevangenneming is. Waarom gaat het OM dan toch op de stoel van de rechter zitten?

Kennelijk is de praktijk hier sterker geweest dan de leer. Het OM blijkt al jaren gewend om sommige veroordelingen te laten verjaren, niet uit te voeren dan wel ‘op te leggen’. Om humanitaire of praktische redenen, omdat de dader onvindbaar is of omdat er nog een procedure loopt. Ook daar lekt het dak van de strafrechtspleging dus. Het kabinet diende inmiddels een ambitieus voorstel voor een compleet nieuw Boek 6 ‘Tenuitvoerlegging’ voor het Wetboek van Strafrecht in. Daarin gaat de hele procedure op de schop. Maar dat heeft Bart van U. niet kunnen stoppen en mogelijk Els Borst niet kunnen redden.

En dan was er op 13 januari een schokkend inspectierapport, van de procureur-generaal bij de Hoge Raad over de nieuwe OM-praktijk van vlotte strafbeschikkingen, buiten de strafrechter om. Dit paradepaardje blijkt rechtstatelijk ver onder de maat. In zo’n 8 procent van alle zaken is er te weinig bewijs – desondanks rekent Justitie wel met u af, met strafblad na. De PG merkte droog op dat als in één op de dertien zaken het bewijs onvoldoende is, dat percentage hem ‘ongewenst hoog’ voorkomt. Waarna een waslijst aan procedurele en kwaliteitsgebreken volgde. Het is dat de politiek het druk heeft met het wereldtoneel van crises, aanslagen en oorlogen. Anders is hier nog wel het een ander te doen.