Soms valt er niks te softfocussen

Joyce Roodnat

Over celebrity’s en de kunst. Birdman; DWDD Popup Museum; Floris Verster, Albert Verwey.

De film Birdman gaat over toneelspelers, maar de hoofdrol is voor een filmster. Hij is populair bij een miljoenenpubliek, als de actieheld ‘Birdman’. En nu wil hij via de regie van, en meteen ook de hoofdrol in, een prestigieus toneelstuk op Broadway bewijzen dat hij een serieuze kunstenaar is. En een liefhebbende vader. En een aardige ex-echtgenoot. En een beminnelijke minnaar en aardig mens. Nou ja, alles waar hij geen verstand van heeft.

De acteur wordt gespeeld door Michael Keaton. Dat is pikant want Keaton deed (spelen kun je het nauwelijks noemen) inderdaad Batman, in 1989 en in 1992. Hier is hij een evident oudere man. Ook Edward Norton (he-man sinds zijn rol in Fight Club in 1999) doet hier zijn middelbare leeftijd eer aan, in de rol van de ‘echte’ toneelspeler. Wanhopig jongensachtig. Opgefokte exhibitionist. Treurwilg. Van alles, maar zichtbaar géén jonge man meer.

Het valt me op dat me dat opvalt. Blijkbaar ben ook ik zo gehersenspoeld dat ik reken op filmacteurs die standaard beeldig en gesoftfocust over het filmscherm dartelen.

Daar doet Birdman niet aan. Die speelt zich af in een theater en in het theater valt er niks te softfocussen. Daar zie je het, als mensen geen jonkies meer zijn of zelfs (o jee!) de veertig gepasseerd. Het is niet het enige waarmee Birdman de wederzijdse weerzin van Hollywood en Broadway fileert. „You’re not an actor, you’re a celebrity’’, smaalt een toneelcritica. Keer het om en je hebt de minachting van de filmindustrie: Je bent een theateracteur? Fijn voor je. Niemand kent je.

Celebrity’s worden geadoreerd maar tegelijk wekken ze bijna automatisch weerstand. Zie de reacties op het Popup Museum van De Wereld Draait Door. Dat tv-programma vroeg een aantal van zijn ‘tafeldames’ en ‘tafelheren’ om met hun keuze uit het depot van een bepaald museum een zaal in te richten in het Allard Pierson Museum in Amsterdam. De tafelfiguren werden ogenblikkelijk afgerekend op hun celebrity-zijn. In brievenrubrieken, ook in deze krant, en de sociale media werd er lustig op los gekankerd, want kom op, je ging je toch niet de keuze van zo’n BN’er laten opdringen?

Ik wel. Waarom niet? Deze kunstwerken zie je zelden, dat alleen al. Daarbij, de DWDD-celebrity’s duikelden mooi werk op en schreven er zinnige teksten bij. Al snap ik de dichter Nico Dijkshoorn niet. Die schrijft naast het door hem terecht gekozen, stevige schilderij ‘Gasfornuis’: „Die pan heb ik ook’’. Nee, die pan heb je niet. Ceci n’est pas une pipe, schilderde Magritte. Dit is geen pijp. Dit is geen pan. Dit is een schilderij. Daar heb je hier mee te maken, denk dáár over na.

Meteen in de eerste zaal zie ik een wonder: het kleine schilderij ‘Napje met eieren’ (1906) van Floris Verster, in de zaal van schrijver Joost Zwagerman. Hoe is het mogelijk dat dat in depot zat? Een stilleven met niet meer dan vijf eitjes. Een onbegrijpelijk raak geschilderd beeld van breekzaamheid, een ander woord weet ik niet.

Er sijpelt een herinnering mijn hersens binnen, aan een gedicht. Van Albert Verwey. Over een schilderij met eieren. Deze eitjes. Lang geleden raakte dat gedicht me en nu herken ik het in dit schilderij.

Ik vraag het Zwagerman. Ja, dat gedicht bestaat, zegt hij. Hij helpt zoeken. Mailt er één. Is dit het? „Niet zoekt gij ver uw zeldzame panelen/ Die toch fantastisch als geen andre zijn…” Verwey spreekt er Verster in aan, maar nee, dit is het niet. Zwagerman raadt aan het literair journalist Onno Blom te vragen, die schreef een boekje over Verwey en Verster. Blom mailt een gedicht. Is dit het dan? Ja! Dat is het, ik herken de strofen over de eierschalen: „… gestold tot hardste en brooste vormen/ Zoog al het hemellicht en spiegelt het.” Verwey schreef het in 1906, het jaar van het schilderijtje.

Ik ga terug naar het museum, naar het schilderij. Pak het gedicht erbij. Maar wacht even. Het heet ‘Het tinnen bord’. Deze eieren liggen in een houten nap, op een met zink bekleed aanrecht. Ik had het verkeerd, ik heb me een gedicht over een ander schilderij herinnerd.

Maar misschien bestaat er nóg een eitjesstilleven van Floris Verster en had Verwey het daarover? De Lakenhal in Leiden heeft veel werk van Verster. Daar wil ik naartoe. Ik ga speuren. En wie weet, tref ik eens dat andere schilderij: eieren op een tinnen bord. „Zoo vast, zoo vol, zoo onverbrijzelbaar van vorm”.