Poolschenners: walvisvaarders, kolenmijnen en... collega-onderzoekers

Een hardnekkig Nederlands fabeltje wil dat het onze voorouders waren die in de 17de eeuw de Groenlandse walvis hebben uitgeroeid. Verenigd in de Noordse Compagnie (1614-1642) die een monopolie had op de walvisvaart bij Jan Mayen en Spitsbergen, zouden de Nederlanders de weerloze dieren onbarmhartig hebben bejaagd tot er geen een meer over was. Zo omvangrijk was de Nederlandse walvisvaart dat er zelfs een heel dorp op Spitsbergen werd gebouwd: Smeerenburg.

Maar zoals gezegd, dit is een fabeltje. Het ‘dorp’ Smeerenburg bestond slechts uit een enkel straatje. En in werkelijkheid was de walvisvaart door de Noordse Compagnie zelfs ,,duurzaam’’, zo betoogt Louwrens Hacquebord, emeritus hoogleraar Arctische en Antarctische studies aan de Rijksuniversiteit Groningen. Er werden tot 1642 door de Hollanders „niet meer walvissen gedood dan de jaarlijkse aanwas”. Uitgeroeid werd de Groenlandse walvis zeker, maar pas een paar eeuwen later.

En niet alleen door Nederlanders. Zij werden algauw overvleugeld door Basken, Engelsen, Duitsers en Denen die ieder voor zich zoveel mogelijk walvissen vingen. In de Atlantische Oceaan is de Groenlandse walvis toen feitelijk verdwenen.

Hacquebord was lang directeur van het Arctisch Centrum. Ter gelegenheid van het 45-jarig bestaan van dit Groningse centrum verscheen vorige maand zijn boek Wildernis, woongebied en wingewest. Hierin worden zijn eigen ervaringen vermengd met wetenschappelijk

vergaarde kennis. Als arctisch archeoloog heeft Hacquebord zijn leven besteed aan opgravingen van jagerskampen, Vikingboerderijen, verlaten steenkoolmijnen en walvisstations. Het is een aaneenschakeling van mislukkingen, vaak ten koste van de natuur.

Zo beschrijft hij het avontuur van Rotterdamse kooplieden die vanaf 1919 op Spitsbergen een moderne steenkolenmijn lieten bouwen. Zij noemden hun nederzetting Barentsburg. Maar toen de mijn klaar was, bleek hun geld op. Ook was de kolenprijs gekelderd door de crisis. Ze moesten hun mijn in 1932 voor een appel en een ei overdoen aan de Russen die deze min of meer aan de gang hielden – niet omdat de kolenwinning op Spitsbergen economisch zo interessant was, maar om een goede reden te hebben voor hun aanwezigheid. „Zonder een dergelijke geopolitieke reden”, schrijft Hacquebord, „konden bedrijven het niet bolwerken en verlieten ze de archipel, een verwoest toendralandschap achterlatend’’.

Ook zijn speurtocht in de Antarctische wateren staat in dit teken. Vóór de invoering van de sleephelling moesten schepen aan de wal vastmaken om de walvissen langszij te nemen. Overal langs de kust ziet Hacquebord nog karkassen, roestige meerpalen en oude kettingen langs de rotsen. „Ongeveer 2 procent van Antarctica is niet met ijs bedekt”, schrijft Hacquebord, „en we namen tijdens onze expeditie waar dat ieder ijs- of sneeuwvrij stukje grond door walvisvaarders was gebruikt.”

Sinds 1998 is op Antarctica een vijftigjarig moratorium van kracht voor economische activiteiten. Die ijsvrije stukjes grond zijn nu grotendeels in gebruik door onderzoeksstations. Maar ook daarover is Hacquebord kritisch. Die stations dienen volgens hem vooral „om te voldoen aan de voorwaarden die het internationaal recht aan het opeisen van territoria verbindt”.

Waarschijnlijk heeft Hacquebord hierin groot gelijk. Daarom is het wonderlijk dat hij in dit ‘j’accuse’ geen woord wijdt aan het Nederlandse poolstation op Spitsbergen, nota bene van zijn eigen Arctisch Centrum. En ten slotte aan de enigszins dubbelhartige positie van de kritische wetenschapper die van die poolstations gebruik maakte.