NRC over EU-rebellen en het verdwenen rapport-Fortuyn

Het is maar iets meer dan een A4-tje, zeven of acht alinea’s lang. Maar in die paar alinea’s worden een paar harde noten gekraakt. NRC Handelsblad had „te laat de electorale potentie van Fortuyn onderkend”, had hem „te lang als outsider beschouwd”, en te veel „als de nar in plaats van politieke actor”. Kortom, „er bestond een onprofessionele vooringenomenheid tegenover hem”.

Maar de onderwerpen die hij agendeerde, waren in de loop der jaren wel aan bod gekomen. De „veelgehoorde klacht dat Fortuyn en de onvrede waaraan hij appelleerde zou zijn genegeerd, of gekleineerd, is in strijd met de feiten”.

Dat zijn de conclusies van het mysterieuze ‘rapport-Kranenburg’, in 2002 op verzoek van de hoofdredactie opgesteld door redacteur Mark Kranenburg, toen chef van de politieke redactie. Naar het interne stuk (Voorlopige bevindingen NRC en verslaggeving Fortuyn) werd verwezen in de vakpers, maar het was zelf zoek – nergens te vinden. Tot een bewaarde uitdraai ervan onlangs, via de auteur, op mijn bureau belandde. Ik zal het netjes overdragen aan het archief.

Aanleiding voor het onderzoek was hevige kritiek na de moord op Pim Fortuyn. NRC Handelsblad zou hem hebben „gedemoniseerd”. Ook intern was kritiek: had de krant zijn ster niet eerder kunnen zien rijzen? Het was het begin van een lange haat- en hekelcampagne tegen krant en hoofdredacteur, aangejaagd door een verbolgen commentaar over Fortuyn dat, rampzalig, verscheen op de middag van de moord.

Kranenburg noteert: ook NRC Handelsblad werd de dupe van beeldvorming: was de krant vóór de aardschok van Fortuyn nog rechts, liberaal of links-liberaal, nu werd die gezien als bij uitstek Paars, politiek-correct of zelfs „extreem links”.

Dat eerste niet ten onrechte, NRC Handelsblad zat dicht aan tegen Paars: pragmatisch, liberaal, niet ideologisch. Maar met weinig oog voor het broeiende onbehagen over de gedepolitiseerde technocratie van Paars. Dat werd vooral geadresseerd, langs pre-fortuyneske lijnen, door oud-politiek redacteur Hubert Smeets in bijlagestukken als Onze Geliefde Leiders (over Wim Kok) of Dat loopt dus wel… (na de Bijlmerramp).

Jammer, want juist deze krant publiceerde voor de verkiezingen van 1994 een eigen, grootscheeps buurtonderzoek waar de latere agenda van Fortuyn al uit opdoemde. Kiezer acht minderhedenkwestie urgent stond erboven op de voorpagina (16 september 1994) – een journalistieke urgentie die verdampte in de hoogconjunctuur van de jaren negentig.

Het zelfonderzoek leidde tot meer dan dat ene A4-tje. Hoofdredacteur Folkert Jensma citeerde de conclusies ervan in een rede, inclusief de gesignaleerde vooringenomenheid. Oud-PCM-bestuurder Jan Greven kreeg ruimte de krant te kastijden (De journalistiek is correct, 15 juni 2002), en er kwam De lezer schrijft… om lezerskritiek te beantwoorden.

Moet er nu weer een rapporteur komen over Fortuyns verre verwanten, de linkse en rechtse ‘rebellen’ in Europa? Verschillende bloggers en columnisten kapittelden de krant wegens het typeren van partijen als Syriza, Podemos en andere als ‘ordeverstoorders’ (De nieuwe revolutionairen van Europa, 31 januari).

Ewald Engelen hekelde het „framen” van de Griekse euro-revolutie. „De identificatie van het journaille met de politieke en bestuurlijke elite heeft ziekelijke vormen aangenomen”, aldus Engelen. Wie is er nu „radicaal”, een partij als Syriza die opkomt voor de verzorgingsstaat of de EU met zijn hervormingsdwang? Ook De Groene Amsterdammer verwees naar het stuk, onder de kop Luisteren naar de ordeverstoorders. Syriza en Podemos bieden juist „hoop”. Hier blijkt weer: woordenstrijd is een voortzetting van de politiek met andere middelen.

Eerst het „radicaal”. Syriza „radicaal-links” noemen kan overkomen als waardeoordeel, zegt redacteur Europa Mark Beunderman , die de kwalificatie in een stuk onlangs verving door „links”, met verwijzing naar hun eigennaam (Synaspismós Rizospastikís Aristerás).

Dat kan prima, want die betekent namelijk: ‘coalitie van radicaal links’. Overigens, het blad van de Griekse communistische partij KKE heet ook Rizospastis (De Radicaal). Kortom, zo gek is de typering ‘radicaal’ helemaal niet. Een lezer klaagde overigens juist dat Syriza en Podemos werden getypeerd als „revolutionairen” in plaats van „reactionairen”, wat ze volgens hem echt zijn – ik zei het al: definitiestrijd is het halve werk.

Ik vroeg het ook René Moerland, auteur van het stuk over de ‘rebellenclub’. Ook hij wijst erop dat Syriza zichzelf radicaal noemt – en de regel in de krant is dat partijen worden aangeduid met hun eigennaam. Soms met bizarre gevolgen: zo heet de religieuze gangsterbeweging IS soms vroom ‘Islamitische Staat’, ook al specialiseert die zich eerder in geweldsporno dan in staatsvorming.

Dan „ordeverstoorders” of „rebellen”. Moet kunnen, lijkt mij: het gaat hen er immers om de ‘neoliberale orde’ of orthodoxie te verstoren – of te ontmaskeren als georganiseerde chaos. De keerzijde ontbrak ook niet: in dezelfde krant hekelde Geert Mak, lang pleitbezorger van Europa, de noordelijke bezuinigingsdrift (De Duitsers en wij leggen onze mierenmoraal op aan heel Europa, 31 januari). Eerder nam econoom Sweder van Wijnbergen het op voor Syriza (Scheld deel van Griekse schuld kwijt, 27 januari).

„Extreem links” – dat op nrc.nl opdook – is wel misplaatst. Dat zou eerder opgaan voor het anarchistische Samenzwering van Vuurkernen (Synomosia Pyrínon Tis Fotiás), dat vanaf 2008 bomaanslagen pleegde op banken en autodealers. Of de Revolutionaire Organisatie 17 november (Epanastatiki Organosi dekaefta Noemvri), sinds 1975 verantwoordelijk voor 23 politieke moorden. Vuistregel: extremisten grijpen naar bommen en granaten, radicalen niet (altijd).

Onderschat wordt het aanzwellende koor van kritiek op het Europese establishment in elk geval niet door de krant – geen wonder, het lachen is liberalen allang vergaan. Die les van Fortuyn is geleerd.