Niets kan van mij een zwarte maken

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink is op 79-jarige leeftijd overleden. Hij was een prominent figuur binnen de groep Afrikaanse schrijvers die tegen de apartheid ageerden.

André Brink.  Foto EPA/ Jose Mendez 

Nog nooit heeft een Afrikaanse schrijver geprobeerd om het systeem op een serieuze manier politiek uit te dagen. Het lijkt wel alsof niemand moedig genoeg is om nee te zeggen”, aldus André Brink in 1971. Het is de tijd waarin het apartheidsregime in Zuid-Afrika nog volop van kracht was. En als van iemand gezegd kan worden dat hij zich in woord en daad durfde te keren tegen dat regime, dan is het wel André Brink. Twee jaar na deze uitspraak verscheen zijn roman Kennis van die aand (1973) – waarin hij een aanval doet op het apartheidsregime. De roman viel de ‘eer’ te beurt dat het de eerste Afrikaanstalige roman was die in Zuid-Afrika werd verboden.

André Brink, 79 jaar oud, overleed vrijdag tijdens een vlucht van Amsterdam naar Kaapstad. Enkele dagen daarvoor had hij in België een eredoctoraat ontvangen van de Universiteit Leuven. Behalve schrijver was André Brink ook hoogleraar Engels aan de Universiteit van Kaapstad.

Apartheid

Hij en zijn collega-schrijvers Nadine Gordimer en Breyten Breytenbach verwoordden het gevecht tegen het apartheidsregime niet alleen hun werk, maar namen ook deel aan publieke bijeenkomsten om telkens weer dat regime te bekritiseren. Ze drukten een duidelijke stempel op het politieke debat in de Afrikaner gemeenschap. Wat zijn werk gemeen heeft met dat van de vorig jaar overleden Zuid-Afrikaanse auteur Nadine Gordimer, is de politieke inzet en relevantie.

Misschien het bekendste voorbeeld is Een droog wit seizoen (1979). In deze roman gaat een geschiedenis- en aardrijkskundeleraar op zoek naar de waarheid achter een zogenaamde zelfmoord van de zwarte Gordon Ngubeni. Uitgestoten uit zijn blanke omgeving, vindt hij ook geen aansluiting bij de zwarte gemeenschap: „Ik ben blank. Dat is de kleine, de laatste, de angstaanjagende waarheid van mijn gebroken leven. Mag dan gehaat worden, uitgestoten en vervolgd en tenslotte vernietigd worden (door de blanke gemeenschap), niets kan van mij een zwarte maken. En zij die wel zwart zijn kunnen dus niets anders dan mij blijven wantrouwen”, concludeert de leraar. Door de manier waarop de politie werd neergezet in deze roman kreeg Brink veel publiciteit, omdat men overeenkomsten zag met de manier waarop Steve Biko in 1977 door de Afrikaner politie was vermoord. Brink ontving er de Martin Luther King Memorial Prize voor.

Brink is altijd een politiek schrijver gebleven. Lang werd hij dan ook als mogelijke Nobelprijskandidaat gezien maar uiteindelijk kreeg Nadine Gordimer de voorkeur; de prijs werd haar in 1991 toegekend.

Brink werd geboren op 29 mei 1935 in het Zuid-Afrikaanse dorp Vrede, een overwegend blank plaatsje waar op woensdagavond en op zondag maar liefst twee keer naar de kerk werd gegaan, „niet zozeer uit overtuiging als wel uit gewoonte of bijgelovigheid, en ook uit angst voor de roddelpraatjes die over het hele district zouden uitwaaieren als iemand het ook maar zou wagen weg te blijven,” zou Brink in Tweesprong noteren, zijn memoires uit 2009.

In 1958 debuteert hij met de Afrikaanstalige roman Die Meul Teen die Hang (De zagerij op de berghelling). Er zouden daarna nog zo’n veertig romans, toneelstukken en literaire prijzen volgen, waaronder de CNA-prijs, de belangrijkste literaire prijs van Zuid-Afrika.

Prominent

Binnen de Sestigersgroep – een groep Afrikaanstalige schrijvers die in hun werk tegen de apartheid ageerden – was hij een prominente figuur. Hij leerde er naast Breyten Breytenbach en Jan Rabie ook dichter Ingrid Jonker kennen, met wie hij een relatie kreeg. Behalve verzet tegen de censuurwetten wilden deze groep ook taboes doorbreken rondom godsdienst en seksualiteit.

Dat de godsdienst er met de paplepel was ingegoten blijkt uit een mooie anekdote die hij opschrijft in Tweesprong. Zo hield hij zijn eerste preken in de garage bij zijn ouderlijk huis. Alle huisbedienden uit de buurt worden gesommeerd te komen. Brink vertelt ze over de zonde van Cham. „Heel plichtsgetrouw liet ik daarop mijn gemeente weten dat het de wil van de Heer was dat ze bedienden voor ons zouden zijn, de blanken.” Toch weet Brink zich te ontworstelen aan deze opvoeding, terwijl hij als kind er nog getuige van is hoe zijn vader weigert een gewonde zwarte man te helpen.

Ook na het afschaffen van het apartheidsregime bleef Brink een politiek betrokken auteur, ook wanneer het om kwesties ging die zich buiten Zuid-Afrika afspeelden. In De andere kant van de stilte schrijft hij bijvoorbeeld over wat de Herero in Namibië is aangedaan door de Duitsers toen het nog een kolonie was.

Geen ‘witte vlucht’

Brink bleef zeer bewust in Zuid-Afrika wonen, net als Gordimer. Hij deed niet mee aan de ‘witte vlucht’. Ook toen hij woedend was over de gijzeling van zijn dochter in een winkel, waarbij de politie niet eens de moeite nam er kennis van te nemen. Brinks opiniestukken, waarin hij uithaalde naar de toenmalige minister van Veiligheid, Charles Nqakula die in een parlementsdebat had aangegeven dat „iedereen die zeurt over misdaad” het land maar moest verlaten, werden in veel kranten overgenomen.

Na de gijzeling van zijn dochter werd zijn neef vermoord toen zijn huis werd leeggeroofd. En toen gaf Brink wederom te kennen niet te vertrekken. Zuid-Afrika bleef hem namelijk te dierbaar. In een opiniestuk in The Sunday Independent noteerde hij: „Het leven in het land is zo urgent en direct dat je je als bewoner betrokken en relevant voelt op een manier die ik me nergens anders ter wereld kan voorstellen.”